Sugarcoat schreef:
Elizabeth: Liz Dimster. Haar naam was berucht in Saltus. Ze was degene die een deel van het dorp in brand had gestoken en een mysterieus boswezen als afleiding gebruikte. Tenminste, dat is wat iedereen van haar dacht. Het boswezen was echt, ze had ooit recht in de ogen kunnen kijken van het beest. Waarom was het voor de mens zo moeilijk om andere mensen te geloven? Gelukkig kreeg ze geen gevangenisstraf, als je het gelukkig kon noemen. In plaats van een gevangenisstraf was haar een plaatsje bij de acht jongeren gegarandeerd; de acht jongeren die elk jaar werden uitgekozen om achter het hek het bos in te gaan. De afgelopen negentien jaar was geen één van die jongeren teruggekomen. Je kon wel zeggen dat Elizabeth de doodstraf werd toegediend. Onterecht. Sinds het toch al gegarandeerd was dat ze het bos in moest, wandelde ze elke dag een stapje verder het bos in. Heel riskant, maar als ze toch dood zou gaan, waarom niet?
Haar moeder was al fluitend de glazen van gisteravond aan het wassen. Ook een jaarlijkse traditie was om voor de verkiezing bij het machtigste gezin uit de beperkte stamboom een groot feest te houden. Sinds Liz haar vader de rechterhand van de president was, waren zij relatief machtig in de familie.
“Elizabeth,” pufte Carolien Dimster toen haar dochter rijk gekleed naar beneden kwam slenteren.
“Mam, ik ga dood.” Met een niets zeggende blik in haar ogen liet Liz zich langzaam op de bank zakken. Carolien zou graag willen zeggen dat het goed zou komen, maar valse hoop was het slechtste wat ze haar dochter mee zou kunnen geven.
“Liz, luister goed naar me.” Haar moeder zong een zacht liedje over de herder die elke nacht zijn acht schapen uit de stal haalt om ze buiten te laten grazen. De stem van Carolien was zoet, zuiver en bracht iedereen in een goede stemming.
“Je hebt zoveel vrijheid in het bos. Ook al weet je niet wat er gaat gebeuren en wat er ook op je pad verschijnt, je kan daar doen wat je wilt.” Carolien glimlachte, wetend dat haar dochter ooit zou snappen waar dat goed voor was. Liz zelf voelde zich echter alleen maar slecht. Haar hele leven bestond uit structuur en ze werd nu gedwongen om uit die vertrouwde omgeving te groeien. Er gloeide hoop in de waterige ogen van Carolien, haar dochter had echter geen vertrouwen in de situatie.
Hammings: Twintig jaar geleden riep zijn zus staande in de deuropening:
“Ik ga een boswandeling maken!” Destijds was het bos nog een open plek, jong en oud ging er heen. Leo Hammings was er zelf ook eens in de zoveel tijd te vinden, als hij tenminste geen president plichten te doen had. Zijn eerste jaar als president bevatte kort gezegd geen vrijheid.
“Is goed!” riep hij terug in de tijd dat hij zijn zwarte haren nog in een staartje meedroeg. Hij kon het voor zich zien maar niet zien; zijn zusje werd kapot gebeten aan de scherpe, bloederige hoektanden van een groot beest. Het bos werd gelijk afgezet met vier hekstukken en een grote poort, waar hij elk jaar acht kinderen in stopte om te kijken wat er in de beruchte bossen was. Na een maand mochten ze weer terug mogen komen, als ze hun weg naar de poort konden banen. Er was in negentien jaar nog nooit iemand teruggekomen. Elk jaar was het weer een steek in zijn hart om te horen dat er weer niemand aan het hek stond. Het enige wat hij ermee wilde bereiken, was wraak op het beest dat zijn zusje aan stukken scheurde. Dit zou het laatste jaar zijn, daarna zou hij het opgeven. Dat had hij zichzelf en de stad beloofd, maar zodra hij die uitspraak had gedaan, kreeg hij er gelijk spijt van. Hij mocht de zoekopdracht naar de moordenaar van zijn zus niet stil leggen. Niemand van zijn mensen wist dat dit niet daadwerkelijk de laatste verkiezing zou zijn. De mensen moesten nog één jaar vertrouwen in hem hebben.
Hij ijsbeerde over het podium heen, waar het binnen een uur zwart zou zien van de mensen. De laatste zinnen tekst die hij had, stampte hij nog in zijn hoofd en wachtte zuchtend achter de gordijnen af totdat de eerste enkelingen er zouden verschijnen.Â