ladybambi schreef:
Een gil verlaat mijn lippen, terwijl ik met een redelijke snelheid door de gang naar beneden val. De snelheid is behoorlijk snel, maar eigenlijk niet zo snel als het zou moeten. Op de een of andere manier lijkt mijn jurkje te bollen en de snelheid te verminderen. Dat is toch onmogelijk? Mijn jurkje bestaat niet uit het juiste materiaal om lucht op te vangen.
Tijdens mijn val zie ik de meest vreemde dingen door de lucht zweven. Een super zware piano, die allang met een klap op de grond had moeten liggen, een boekenkast met allemaal boeken in saaie kaftkleurtjes, een lamp die niet aan staat, een tafeltje en ga zo maar door.
Na een paar minuten vallen, kom ik op mijn benen terecht op de grond en weer verschijnt er een frons op mijn gezicht. Als je zo'n hoge val maakt, dan val je nooit op je benen. Je hoort het niet eens te overleven zonder botbreuken, maar nergens heb ik pijn of iets wat op een botbreuk zou wijzen. De kamer om me heen is leeg. De muren zijn bedekt met tegeltjes. Licht roze en licht blauw. Net als of er geboorte is gegeven aan zowel een jongetje als een meisje. De combinatie van de kleuren is een beetje vreemd, maar gezien het feit dat er ergens een gigantische piano boven mijn hoofd zweeft, zul je mij niet horen klagen over de kleuren. Rustig kijk ik om me heen, op zoek naar een uitgang, maar de enige deur die ik kan vinden, is zo klein. Het lijkt eerder een kattenluikje, dat je bij sommige mensen in de deuren ziet. Daar zou ik nooit doorheen passen. Omhoog klimmen lijkt ook niet te kunnen. Het dichtstbijzijnde zwevende object zweeft dik 3 meter boven me, als het niet meer is.
Een zachte zucht verlaat dan ook mijn lippen, wat in mijn keel beter aanvoelt dan mijn gil, terwijl ik me hopeloos op de grond laat zakken. Hoe ga ik hier nu weer uitkomen?
“Ow meisje, waarom zit je daar zo verdrietig op de grond?” klinkt er opeens een stem en geschrokken kijk ik op, maar zie niemand die zou kunnen praten. Ik ben alleen, met het kleine deurtje naast me en de gekleurde tegeltjes op de muur.
“W-wie is daar?” vraag ik.
“De deur die je net zag. Vertel me, waarom zit je daar zo alleen?” klinkt de stem opeens en even zucht ik zacht. Ik wordt gek, dat is zeker. Toch geef ik antwoord.
“Ik zit vast in een kamer met een mini deur, hoe kom ik hieruit?” vraag ik en de deur denkt even na.
“Gebruik je fantasie. Alles is hier mogelijk” is het enige wat hij antwoord.
Fantasie, ja vast. Toch sluit ik mijn ogen en beeld me in dat ik krimp. Ik heb mezelf altijd al groot gevonden, wat kleiner kan heus wel. Verbaasd voel ik me veranderen en als ik mijn ogen open is de kamer groter, net als de deur.
“Goed gedaan meisje. Open me nu” zegt de stem en langzaam sta ik op, bang dat ik weer groot wordt en niet door het deurtje kan. Voorzichtig pak ik de deurknop vast en open de deur, waarna ik erdoor heen stap. Meteen kom ik uit in een vreemd soort bos. Het bos doet me denken aan een tropisch woud, met planten die ik nog nooit eerder heb gezien. Sommige planten, die officieel groen horen te zijn, zijn dat niet. In plaats daarvan zijn ze roze of blauw. Ook de lucht is anders. Een soort zonsondergang oranje, terwijl de zon midden aan de hemel staat.