Met welke zal ik straks, als ik op vakantie ben, verder gaan?
Verhaal 1:
Hier zit ik dan, helemaal alleen in mijn uppie. Ik kijk wat rond en zie ineens een prachtige stok. Ik pak hem op en dan krijg ik een raar gevoel, van schrik laat ik de stok weer vallen. Ik kijk verbaast om mij heen en kniel dan even neer bij de stok. Ik maak er een foto van maar daar is hij niet op te zien. 'wat raar' denk ik. Ik maak nog een foto maar ook daar is de stok niet te zien. Ik staar verbaast naar mijn beeldscherm en leg mijn mobiel dan aan de kant. Ik pak de stok weer op en voel een soort van energie door mijn lichaam suizen. Ik zwaai even met de stok en ineens ben ik in het bos. Ik kijk om mij heen naar het pad terug maar kan geen pad vinden. Ineens begint een boom tegen mij te praten 'Lief meisje, wat doe jij hier zo alleen?' vraagt de boom. Ik draai mij om en kijk naar de boom waar het geluid weg kwam. 'I...Ik vond deze stok. En nu ben ik hier. Hoe kom ik weer thuis' stotter ik. Ik kijk bang om mij heen op weg naar een uitgang maar kan het nergens vinden. 'Je bent hier gekomen met een doel, dat doel moet je voltooien' zegt de boom tegen mij. Er verschijnt een pad en ik loop erlangs. Uiteindelijk kom ik bij een prachtige open plek in het bos. Er staat een beeldige fontein waar een stoel op staat. De stoel is leeg. Ik loop een rondje om de fontein heen en bekijk hem even goed. Dan hoor ik uit de rechter hoek een geluid komen. Ik loop er naartoe en zie een elfje. 'Waar ben ik?' vraag ik. Het elfje schrikt op en gaat dan op mijn schouder zitten. 'Aah, hier ben je eindelijk. Ik zocht je al. Kom!' zegt het elfje tegen mij, verbaast ren ik achter het elfje aan. Uiteindelijk kom ik bij een prachtige kamer. Er staat een jongen op mij te wachten. 'Wat doe ik hier?' vraag ik voor de zoveelste keer. 'Mevrouw, het koninkrijk heeft u gemist. Uw vader wacht op u' krijg ik als antwoord. De jongen steekt zijn arm uit en ik pak hem vast. Hij brengt mij naar een man die de leeftijd van mijn vader heeft. 'Mag ik nu eindelijk antwoord op mijn vraag? Waar ben ik?' vraag ik aan de man. 'Je bent in het rijk der rijken. Hier zul je de komende tijd blijven. Je bent namelijk mijn dochter, al die jaren heb ik naar je gezocht en nu, nu heb ik je eindelijk gevonden. Ik word al oud, daarom moet jij binnenkort gaan trouwen en zul jij het rijk van mij over moeten nemen. Maar eerst, eerst moet je je als een goede fee gedragen. Want dat is wat je bent, dat is waarom je je altijd anders hebt gevoelt dan de rest. Want je bent anders' krijg ik van de man te horen. Ik schrik heel erg en daar sta ik dan met een mond vol tanden. Ik staar vooruit en kijk verbaast naar de man die beweerd dat ik zijn dochter ben. Dan word ik mee genomen door wezens die half mens half paard zijn. Ik word naar een kamer gebracht waar een prachtige jurk klaar ligt. Er wordt mij verteld dat ik die jurk moet aantrekken. Ik pak de jurk op en trek hem aan, hij past precies en staat prachtig. Ik kijk iets beter naar mijn uiterlijk en zie dat mijn oren en ogen er ineens heel anders uit zien. Ik schrik en kijk nog een keer goed. Ze zijn veranderd is elfen oren, hoe kan dit nu! Ik wacht geduldig in de kamer waar ik ben en na een tijdje word ik opgehaald door de koning van dit rijk. 'Meneer, koning, vader of hoe ik u ook moet noemen. Waarom wist ik mijn hele leven niks van dit rijk af?' vraag ik. Ik kijk afwachtend naar de koning die mijn begeleid door het rijk. 'Je moest hier weg, er was oorlog tussen het rijk er rijken en het rijk er duisternis. Het was te gevaarlijk' krijg ik al antwoord. Ik loop achter de koning aan en bekijk het koninkrijk. Na een tijdje komen we bij een hele mooie grote tafel. 'Ga zitten, dan gaan we eten' zegt de koning tegen mij. Ik ga op een stoel zitten en gelijk wordt er een bord voor mijn neus gezet. Ik eet het eten op en praat wat met de koning die mij alles uitlegt. Ik moet gaan trouwen met een elf hier uit het rijk, dan pas kan ik koningin worden van het rijk. De koning heeft al 5 mannen uitgezocht die wellicht geschikt voor mij zouden kunnen zijn. Ik ga terug naar mijn kamer en wacht geduldig tot de mannen 1 voor 1 binnen komen. De eerst heet Robie Goodfellow, hij komt mij heel bekend voor, hij lijkt op een jongen van mijn school waar ik de afgelopen 3 jaar in stilte verliefd op was. Ik kijk hem even vaag aan en hij kijkt vaag terug. 'Ken ik jou ergens van?' vraag ik dan maar. Het enige wat de jongen doet is naar mij toe lopen. Hij bekijkt mij eens goed en zegt dan. 'Jij komt niet van hier, jij komt van de aarde. Ik herken je, je zit bij mij in de klas' zodra ik dit hoor schrik ik een beetje. Het is dus echt zo, hij is de jongen waar ik de afgelopen 3 jaar verliefd op ben geweest. 'Ik, ik ken jou ook. I....ik was de uuh, de afgelopen 3 jaar al verliefd op jou' zeg ik en dan bloos is. Robie loopt naar mij toe en neemt mij in zijn armen. Verbaast kijk ik om hoog in zijn prachtige ogen. En dan, van het ene op het andere moment geeft hij mij een zoen. Ik sluit mijn ogen en zoen met hem mee. Even later loop ik samen met Robie naar mijn vader toe. 'Vader, ik heb mijn man gevonden.' zeg ik en ik kijk even naar Robin. De koning kijkt naar Robie en zegt dat hij een test moet doorstaan. Want niet iedereen kan zomaar met zijn dochter trouwen. Hij moet 7 testen doorstaan en aan het eind zal dan het altaar staan. 'Succes mijn liefst!' zeg ik tegen Robie voordat hij het gebied ingaat waar de zeven testen worden gehouden. 'Oh vader, wat voor testen zal hij moeten doorstaan' vraag ik en ik kijk hem smekend aan. Ik krijg uitleg over de zeven verschrikkelijke testen en hoop dat Robie er goed uit gaat komen. Ik moet aan het einde van het testen doolhof wachten. Voor de rest mag ik niks doen. Het duurt 7 uren voordat Robie uit de struiken komt, hij zit helemaal onder de schrammen. Ik ren naar hem toe en geef hem een zoen. 'Ik ben zo blij dat je er uit bent gekomen' zeg ik en ik houd hem stevig vast. We gaan beide naar een aparte kamer waar we ons omkleden. Er ligt een prachtige groen/blauw jurk voor mij klaar. Ik trek hem aan en bekijk mezelf in de spiegel. Ik zie er beeldschoon uit. Dan loop ik naar het altaar maar ondertussen kom ik een portaal tegen, ik ben nieuwschierig en loop het portaal binnen. Ineens ben ik op een heel andere plek, ik wil terug lopen maar het portaal is verdwenen.
Ik ben in een ander rijk, ik wandel wat rond opzoek naar een nieuw portaal naar het rijk er rijken, maar nergens is het te vinden. Ik kom een duistere jongen tegen. Hij rijd op een prachtig zwart paard. 'Waar ben ik?' vraag ik als de jongen vlak bij mij is.
Verhaal 2:
Daar zit ze, helemaal alleen in een donkere kamer. Het is koud, griezelig en eenzaam. Maar dat vindt ze niet erg. Ze houdt ervan om alleen te zijn, gewoon helemaal alleen zonder iemand om zich heen. Niemand hoeft haar problemen te weten, het gaat niemand iets aan wat er in haar hoofd omgaat, maar ook niemand mag het weten. Niemand mag weten hoe ze zich werkelijk voelt, niemand mag weten dat ze van binnen al lang overleden is, haar lichaam leeft nog. Maar dat is ook het enigste.
Ze heeft een masker vast, een masker met een glimlach erop geverfd. Het masker verschuilt de pijn die ze heeft, de pijn die niemand ziet, de pijn die niemand mag zien. Het masker gaat alleen af als ze alleen is, gewoon helemaal alleen. Dan kan ze zichzelf zijn, dan hoeft ze niet vrolijk te zijn.
Er ligt een mes, met bloedresten eraan, op de grond. Ze kijkt ernaar, sluit haar ogen en pakt het mes. Ze wil het mes weer terug leggen, maar er zit al een diepe snee in haar pols. Er rolt een traan over haar wang, een traan van pijn, een traan van wanhoop, een traan van verdriet, een traan van frustratie. Ze bijt op haar lip, en kijkt naar haar pols. Wat heeft ze gedaan! Ze zou dit niet meer doen, ze zou dit nooit meer doen, nooit meer wou ze deze verschrikkelijk pijn voelen. Nooit!
Ze laat het mes vallen als de muren op haar afkomen, ze schrikt, waar is de deur gebleven, hij is weg. Verschrikt en vol angst kijkt ze om zicht heen, ze is alleen in een donkere kamer, waar niks is behalve een krukje. Ze slikt van angst, de muren, ze komen steeds dichterbij. Ze gaan haar pletten. Het krukje veranderd in een diepe zwarte put. De put zuigt haar naar binnen maar ze houd zich vast aan de muren, aan de muren die steeds dichterbij komen. Tot haar vingers het niet meer houden, ze glijd weg en heeft krassen op haar handen van de stroeve muren. Ze wordt in de put getrokken, diep diep in de put. Het is zwart om haar heen, helemaal zwart. Ze is angstig, angstig voor wat er nu gaat gebeuren. Angstig voor wat haar nu te wachten staan. Maar er gebeurd niks, ze valt alleen maar. Ze valt en valt en valt, nooit komt er een einde aan. Het is zwart om haar heen en ze valt in een diep zwart gat, niks om haar hen, niks wat haar kan redden, niks wat ervoor kan zorgen dat ze weer grond kan voelen. Ze legt haar handen op haar ogen en veegt een traan weg, waarom was haar leven zo? Waarom moest ze zo leven? Waarom moest ze nu voor eeuwig vallen? Al die vragen, maar geen antwoorden. Al die onduidelijk heden en niemand die het haar duidelijk kan maken. Ze bijt op haar lip en sluit haar ogen, er is toch alleen maar een zwarte duisternis om haar heen.
Zodra ze haar ogen weer opent zit ze op de grond. Was ze geland? Had ze grond gevoelt toen ze haar ogen dicht had? Nee, dat had ze niet.
Ze kijk om zich heen, angstig voor wat er nu gaat komen. Maar ze zit in een prachtig gebied, hoog in de bergen bij een waterval. Ze staat op en loopt naar de waterval, de zon schijn op haar gezicht. Ze gaat op een grote steen zitten en sluit haar ogen terwijl ze haar hoofd wat naar achteren houd. De zon voelde heerlijk op haar koude, witte huid.
Verhaal 3:
Ik open mijn ogen weer, hoopvol dat ik hier weg zou zijn. Maar nee, nog steeds ben ik omringt door bomen en duisternis. Ik hoor iets, een raar geluid. Ik kijk verschrikt om maar zie niks. Weer hoor ik iets, nu van een andere kant. Ik kijk angstig, met grote ogen, om me heen. Opzoek naar een uitweg, opzoek naar een veilige plek. Een plek waar de zon schijnt, waar mijn ouders zijn. Ik loop langzaam wat naar achteren als ik een groot beest naar mij toe zie lopen. Ik slik en sta tegen een boom aan. Dan stopt het beest en loopt weg. Ik geef een zucht van verlichting en kijk omhoog, recht in het gezicht van een wolf. Ik houd mijn adem in en durf niet te bewegen. Ik vol een traan opkomen en bijt op mijn lip om hem tegen te houden. Waarom zat ik hier nou, waarom ik! Ik laat me langzaam langs de boom naar beneden zakken. Die wolf kan me niks meer schelen, als hij mij nu verslond was ik er maar vanaf. Ik snik zachtjes en voel dat er iets of iemand naast mij komt zitten. Ik durf niet op te kijken en voel dan een hoofd op mijn knieën. Ik schrik er een beetje van, want het is de wolf, hij is naast mij komen zitten en kijk mij met puppy ogen aan. Ik glimlach even en geef hem een aai over zijn hoofd. Er valt een traan op zijn snuit waarna hij mijn tranen op gaat likken. Het kietelt, dus ik moet weer lachen. Ik draai mijn hoofd een beetje en duw de wolf dan wat weg. Ik veeg mijn gezicht schoon en zie de wolf dan huilend naar achter lopen, alsof hij bang is, heel erg bang. Ik schrik ervan en draai me voorzichtig om, ik stond oog in oog met, met iets, ik had geen idee wat het was. Ik kijk het ding met grote ogen aan en zet een stap naar achteren.


0
0
0
0
Om mee te kunnen praten op het forum dien je ingelogd te zijn.Nog geen account? 


20
