ging ik maar schrijven. Oke er zitten nog veel fouten in enzo. maar oke.
Het werd mij gewoon te veel, alles was te veel. Een zucht kwam over mijn lippen en staarde voor mij uit. Ik kon mij gewoon niet inhouden en nu zit ik in een vierkante kamer waar het ijskoud is. Als je omhoog keek zag je nog één raampje met tralies. Er uit kon je niet, alleen als je mazzel had en er iemand eten kwam brengen. Rustig stond ik op en liep naar de houten deur die de enigst doorgang was om hier te komen. Mijn handen legde ik op de houten planken en legde mijn oor er ook tegen aan. De geluiden die aan de andere kant van de deur was, klonken rustig. Waarschijnlijk lag de wachter te slapen. Waarom had ik een wachter? Ik kon mijn eigen krachten niet. Met mijn handen taste ik langs de houten planken, om te zoeken of er nog iets was. Een glimlach kwam op mijn gezicht als ik voelde dat er een plank los zat van de deur en begon die voorzichtig los te wrikken, maar meteen, als ik wat hoorde van de wachter, stopte ik en wachtte rustig af. Als het weer stil was, ging ik rustig veder en had eindelijk de plank los. Voorzichtig trok ik het naar mij toe en stak mijn hand er door. De sleutel kon ik nog net bij en pakte die vast. Mijn hand sloeg ik rond de sleutels zodat het niet klonk en nam het naar mij toe. Nu was het nog, welke sleutel, maar daar wachtte ik tot de avond mee. Stil ging ik weer naar de plek waar ik altijd zat en stopte de sleutels in een gat achter een losse steen. Ze zouden er achter komen, maar niet dat ik ze had gepakt. De plank had ik al terug gezet en trok nu mijn knieën op en staarde weer voor mij uit. Hoe laat het was, wist ik niet. Honger had ik wel, dat wist ik. Maar al dagen had ik niks gekregen, alleen vuil water. Aan de andere kant hoorde ik uit eindelijk meer voetstappen en stemmen, meteen stond ik op en liep rustig naar de deur, legde mijn handen er weer op en mijn oor er tegen aan. Graag wilde ik weten waar ze het over hadden. Wat ik door kreeg was: brand stapel of de galg. Even slikte ik, en sloot mijn ogen. Een hek was ik niet, nee, zeker niet. Mijn ouders had ik op jonge leeftijd verloren en zins dien was ik op mij zelf gaan leven. “He, waar zijn mijn sleutels?” hoorde ik en een grijns kwam even op mijn gezicht die al snel weer verdween. “Stom kop, jij verliest altijd wel wat!” hoorde ik de andere zeggen en ik moest mijn lach in houden. “Zoeken!” hoorde ik en hoorde al snel gerommel aan de deur en zette een paar stappen achter uit. “Jij, mee komen!” hoorde ik de andere wachter zeggen en voelde al snel zijn hand rond mijn boven arm. Snel keek ik even achterom naar de steen waar de sleutels achter lagen. Die had ik waarschijnlijk niet meer nodig. Ruw werd ik mee getrokken en keek al snel weer voor mij uit. “Door lopen!” zei hij en ik deed het maar, want ik wilde nu geen gesjoemel. Mijn ogen kneep ik al snel dicht toen we buiten kwamen. Aardig lang had ik het licht niet gezien. Het deed pijn aan mijn ogen. Maar dat negeerde ik en voelden de ogen van de menigte branden. “HEKS HEKS HEKS! “hoorde ik ze schreeuwen. Een zucht kwam over mijn lippen, zo graag wilde ik terug schreeuwen dat ik het niet was. Maar wat het was, dat wist ik gewoon niet. Ruw werd ik veder begeleid naar de stapel, de brand stapel. Oke, daar ging het gebeuren. Omhoog werd ik getrokken de trap op en al snel zat ik vast aan de grote paal in het midden. Vele onschuldige mensen waren hier al aan gezet en verbrand. Niemand wilde ze geloven, dat ze het niet waren. De touwen werden goed strak rond mijn polsen geboden achter de paal en nog wat touw rond mijn middel. Het touw branden door mijn kleding in mijn huid. Door rustig te ademen, begon het minder te branden en keek de wachter aan. “Nou heks, veel plezier” zei hij toen en liep de stapel af. De fakkels werden al gebracht, maar ze wacht tot het wat donkerder werd. De tijd verstreek, en al snel was het donker en het vuur werd aan gestoken. Zelf begon ik een lied te zingen. Niet zomaar een lied, maar een lied wat ik altijd al gehoord had. De klanken waren anders en de woorden ook. Hoe ik ze uit kon spreken wist ik niet, maar het ging vloeiend. Mijn ogen sloot ik en wachtte af tot de vlammen mijn huid zouden likken, maar dat gebeurde niet. Wat ik wel voelde was de koele wind die op stak. Mijn ogen opende ik en keek naar beneden. Op de brand stapel stond ik niet meer, maar op het dak van één van de huizen. Even knipperde ik met mijn ogen en keek rond. Al snel keek ik recht in de ogen van iemand anders en slikte even. Wat was er gebeurd? De mensen hoorde ik nog schreeuwen en keek die kant op. De paal, waar ik net nog aan zat, stond nu in loeiende laaien. “Je bent veilig” hoorde ik iemand zeggen en keek weer opzij, in de ogen. Alleen de ogen zag ik en hoorde de stem nog een keer. “Heb je nog genoeg kracht?” het was een jongens stem. Voorzichtig knikte ik en voelde dan een hand, die de mijne pakte. Rustig begeleide de jongen mij het donkere in. Te spreken, kon ik niet, en zeker niet wat ik moest zeggen. “We hebben je gehoord.” Hoorde ik toen en keek de jongen weer aan. Ik snapte het niet, maar al snel legde hij het uit. Mijn benen begonnen vermoeid te raken en hij merkte het ook. We waren al snel in het bos en hij liet mij rustig zitten tegen een dikke boom. “Rust maar wat uit, je hebt veel mee gemaakt”. En met die woorden viel ik in een lichte slaap.
Iets later werd ik weer wakker gemaakt en voelde ik een koude doek over mijn voorhoofd en keek, half slapend nog, weer in de ogen van de jongen. “Je ziet er al wat beter uit” zei hij en zag een glimlach. Het was een prachtige, vriendelijk glimlach en schudde rustig mijn hoofd. Hij ging voor mij zitten en bood mij wat eten aan en ik nam het van hem over en begon rustig te eten. Te snel eten op een lege maag was niet zo’n goed plan. “Kan je misschien nog een keer uit leggen” vroeg ik en keek hem nog steeds aan. “Hoe jullie mij gehoord hebben.” Zei ik er nog achter aan. Zijn ogen begonnen weer te glimlachen en ik nam zelf nog een stukje brood. “Het lied, het lied wat je zong. Dat is het lied van als je in gevaar bent” vertelde hij. “We hebben je vaak gehoord, maar we konden niet komen” zei hij en sloeg zijn ogen neer. “Waarom niet?” vroeg ik en stopte nog een stuk brood in mijn mond. “Je was nog te jongen”. Zei hij veder en ik keek hem vragend aan. Rustig vertelde hij veder en ik voelde mij zelf onder langs sterker worden. “Kom, we moeten veder” zei hij toen en stond op. Zijn hand stak hij uit en ik pakte die aan. In mijn hoofd voelde ik mij even dissie, maar dat ging snel over. “Deze kant op” zei hij en begon te lopen. Rustig volgde ik hem en keek om mij heen. In dit deel van het bos was ik nog nooit geweest. “Waar gaan we heen?” vroeg ik en ging naast hem lopen. “Naar je geboorte plaats” zei hij rustig en ik keek voor mij uit. Geboorte plaats? Ik was toch geboren waar ik altijd al was? Mijn schouders haalde ik op en liep veder.


0
0
0
0
Om mee te kunnen praten op het forum dien je ingelogd te zijn.Nog geen account? 


21