Ik staar naar de wolken met een glimlach. De school was net voorbij en het was een zware dag. Ik zucht zachtjes en sluit mijn ogen, terwijl ik glimlach. Ik loop naar mijn fiets toe en kijk nog even rond of ik Anna nog zie. Als ik haar zie begin ik te glimlachen en wacht ik op haar tot ze haar fiets ook heeft, zodat we samen naar huis kunnen gaan.