Envy schreef:
TheCrazyWriter schreef:
AnnaJacoba schreef:
TheCrazyWriter schreef:
Dat snap ik en dat van mij is eigenlijk ook alleen maar negatief, maar ik haat het gewoon om vanuit een echt slachtoffer te schrijven, want ik kan slecht tegen al dat overdreven zielige gedoe wat ik er zelf overigens ook vaak genoeg aan toe voeg, maarja xd
Ik vind het vooral vreselijk omdat het over mezelf gaat en ik mezelf dan als een aansteller zie, hoewel het echt gewoon vreselijk was wat er in die tijd is gebeurd. Sommige kinderen kunnen zo gemeen zijn. Maar als je het dan voor jezelf neerschrijft en je leest het.. tja het is gewoon raar en zo negatief. Maar ach.. wil je het anders lezen? Ik denk dat je wel kan begrijpen wat ik bedoel in mijn stukje, het negatieve en het gevoel hebben dat ik overdrijf. Maar geen woord ervan is gelogen..
ik snap je echt helemaal, maar ik denk dat de meesten daar last van hebben en laat maar lezen ja xd
Haha, ja ik denk het ook wel. Ondanks dat dit niet echt een moeilijke opdracht was qua het bedenken/schrijven, maar wel het teruglezen. Ik ben trouwens al op de hoogte van de foutjes in mijn stuk:
Sommige mensen denken dat het makkelijk is, dat je eigenlijk aanstelleritis hebt en het helemaal niet zo erg is. Ze denken dat je 's morgens gewoon opstaat en je ding doet, en dat je eigenlijk pas op school je rot begint te voelen omdat je alles te persoonlijk opvat. Ze zeggen dat je het moet negeren, dat het dan wel stopt. En anders kun je er altijd wel een docent bij halen, dan stopt het toch ook wel? Maar het stopt nooit, je word er mee wakker en je gaat er mee slapen. De woorden laten wonden achter op je ziel en het schoppen en slaan verminkt je huid. Je wilt het vergeten, weg proppen, maar het komt weer achter je aan in je slaap. Het stopt nooit.
Men spreekt wel eens van een masker dragen, dat je eigenlijk je ware gevoelens verbergt en een geforceerde glimlach op je gezicht hebt, en dat alleen je ogen je ware gevoelens laten zien. Sinds mijn jeugd draag ik constant zo'n masker. Het was winter en buiten lag een vers pak witte sneeuw. Het zag er prachtig uit, maar ik kon er jammer genoeg niet van genieten. Mijn opa was net overleden en ik zat er heel erg mee. Met het weekend achter de rug moest ik nu weer beginnen aan een lange week school, en ik kon niet zeggen dat ik er naar uit keek. Ik stond langzaam op en kleedde me snel aan, ik wist namelijk van mezelf dat ik anders ging treuzelen en te laat op school kwam. Snel propte ik een broodje in mijn mond en liep ik richting school. Het was een typische dag op de basisschool, de kinderen renden al rond ik de sneeuw en zoals gewoonlijk werd het ietwat stiller op het plein zodra ik er liep. Achteraf weet ik waarom, ze waren over mij aan het praten en wouden niet dat ik het wist, maar achteraf heb ik het ergens ook altijd wel geweten. Het eerste wat ik voelde was een ijsbal tegen mijn linkeroor aan, gevolgd door een pijnscheut die niet van ijs afkomstig kon zijn. De koude sneeuw liep bij mijn jas naar binnen maar ik voelde het nauwelijks, ongelovig ging ik met mijn hand naar mijn oor en voelde ik warme, stroperige vloeistof. Mijn hand was een beetje rood geworden en ik besefte mij dat ik een wond bij mijn oor had. Ik keek naar de grond en zag tussen de uit elkaar gevallen ijsbal een steen liggen. Toen begon alles serieus te worden, toen begon het pesten pas echt. Ze hadden gehoord dat mijn opa was overleden en begonnen dingen te roepen zoals, 'Fijn voor je dat je opa dood is! Nu jij nog!' Natuurlijk wisten ze dondersgoed dat ze mij er mee kwetsten, maar het maakten hen niet uit. Ze lachten mij uit om mijn uiterlijk, noemde mij lelijk en dik. Ze lachten mijn uit wegens mijn dromen, ze zeiden dat ik nooit goed genoeg zou zijn. Ze zeiden de meest verschrikkelijke dingen over mij en mijn familie, dreigden mijn huisdieren dood te maken als ik ooit iets zou zeggen. Ze gooiden mijn fiets in de sloot, sloegen mij met takken en schopten mij. Maar dat maakte mij eigenlijk niets uit, het waren de woorden die onder mijn huid kropen en daar begonnen te knagen aan mijn ziel. Grote gapende gaten was het enigste wat overbleef. Mijn zelfvertrouwen, mijn zelfbeeld, alles was negatief geworden. Ik zag het zin in het leven niet meer, ik begon te geloven wat ze hadden gezegd. Ze hadden mij zo erg gebroken dat ik hun begon te geloven, mijn leven was waardeloos, ík was waardeloos. De docenten zagen alles en deden niets, het interesseerde hun niet. En mijn ouders vertelde ik niets, ik wou hun niet opzadelen met mijn pijn. Want ik begon me te voelen alsof ik me aanstelde, alsof de dromen die ik 's nachts had mijn eigen schuld waren en de gedachtes waarmee ik rondliep er niet tot deden. Ik wou de kinderen die mij dat aan hadden gedaan vermoorden, ik wou het leven uit hun ogen zien verdwijnen en aan ze vragen wiens leven nu nutteloos was, wie nu de zwakkeling was. Ik wou zulke erge dingen doen, ook met mijzelf. En zodra ik die dingen probeerde te doen besefte ik pas wat ze van mij hadden gemaakt. Ik veranderde mijn leven, hoewel hun dat ook al hadden gedaan. Nooit zou ik meer het meisje worden van voor die tijd, mijn hele persoonlijkheid was veranderd. Mijn jeugd zou altijd met mij mee gaan, ik zou er altijd over blijven denken en dromen en ik zou me altijd te min voelen en aan mezelf twijfelen. Want het houd nooit op, het stopt nooit.