Hier komen de laatste 3 forum topics
te staan waarop je hebt gereageerd.
+ Plaats shout
Bluesweater
nieuwe competitie online! lekker puzzelen!
0 | 0 | 0 | 0
0%
Om mee te kunnen praten op het forum dien je ingelogd te zijn.Nog geen account? Klik hier om een gratis account aan te maken.

> Sluiten
Helper
14 van de 24 sterren behaald

Forum

ORPG, gedichten en schrijvers < Virtual Popstar Eerste | Vorige | Pagina:
RPG • Zodiac
Mew
Straatmuzikant



Abby liet haar potlood soepel over het papier glijden. Tekenen was als een tweede natuur voor haar, net zoals lezen, schrijven en schilderen. De beste plaats voor dat alles, vond ze, was het bos. Genesteld op een omgevallen boomstam en gewapend met een etui en schetsblok, bracht ze haar dagen door met tekenen. School vond ze niet belangrijk – al dacht haar moeder daar anders over.
Abby keek wantrouwig op haar horloge, waarvan bleek dat het iets over elven was. Waarschijnlijk had haar moeder naar haar school gebeld dat ze er – alweer – niet was. Abby maakte zich daar niet bepaald zorgen om. Als ze geschorst zou worden, zou dat alleen maar goed zijn, aangezien er geen enkele andere school in de buurt was.
‘Bijna klaar.’ Abby staarde naar haar tekening. Het voelde alsof er iets ontbrak, maar ze had geen idee wat. Zuchtend stond ze op en veegde haar broek af, en stopte haar spullen in het kleine rugzakje dat ze had meegenomen.
Doelloos begon ze recht vooruit te lopen. Ze had behoefte aan inspiratie, om verder te tekenen, om haar te helpen haar creativiteit en gevoelens te uiten. Het bos hielp haar ermee. De kalmte, de geluiden en de prachtige omgeving zorgden ervoor dat haar geest tot rust kwam, en plaats kon maken voor nieuwe ideeën.
Plotseling drong een scherpe geur Abby’s neus binnen. Ze stopte abrupt met lopen en keek schichtig om haar heen. De geur leek niet uit een specifieke richting te komen, maar op oriëntatiegevoel volgde Abby haar weg verder, met een kleine afbuiging naar links.
De geur werd sterker, de mist dikker. Er was geen geluid te horen behalve de voetstappen van Abigail, die, door nieuwsgierigheid gedreven, nog steeds vastberaden verder liep in de richting van de geur.
‘Holy crap.’ Het tafereel dat voor Abby’s ogen opdoemde was adembenemend. Vlammen rezen op van de bodem en likten aan de stammen van torenhoge bomen, en spreidden een lichtrode gloed uit. Bevend staarde ze naar de vlammen. Een beginnende bosbrand, maar al zo breed als het oog kon zien, zo hoog als een flatgebouw kon zijn. De bomen in dit bos stonden erom bekend dat ze hoog waren, maar dat besefte Abby pas goed toen ze haar blik omhoog liet glijden. Tot de topjes van de bomen waren de vlammen verspreid, het zicht op de lucht blokkerend.
Maar toch voelde Abigail geen echte angst. Het vuur leek te blijven waar het was, en zich niet verder uit te spreiden. In plaats daarvan was Abby verbijsterd door de schoonheid van het vuur. De kleuren die om de seconde wisselden, de vormen die de vlammen aannamen en de kleine vonkjes die magisch op de grond dwarrelden. Diep in haar hart borrelde een verlangen op. Dit beeld voor eeuwig vast te leggen op papier. Een ander stemmetje probeerde het verlangen te overstemmen, haar te overtuigen van dit alles weg te rennen en zichzelf in veiligheid te brengen.

Ze zeggen toch altijd dat je naar je hart moet luisteren?

Abigail nestelde zich op de koude bosgrond, een stuk van het vuur af. Ze ritste haar rugzak open en haalde de spullen er opnieuw uit. Glimlachend begon ze te schetsen. Hoewel het vuur continu van vorm veranderde, gaf dat juist een bijzonder effect. Door de vlammen in hun verschillende vormen te schetsen, op dezelfde plek, gaf het een gevoel van beweging, spanning, actie.
Ze werd opgeschrikt door een luide knal, uit de richting van het vuur. Ze had wel eens gehoord van de zuurstofopslag van de bomen, die onder de wortels zat. Als het heet was, kon dat exploderen. Pas toen kwam het eventuele risico tot Abby over. Twijfelend klapte ze haar schetsboek dicht en stopte de potloden terug in haar etui. Ze stond op en staarde nog een tijdje naar het vuur. Opeens weerklonk er een luid gekraak, dat het geruis van het vuur overstemde. Tegelijkertijd stak er een harde wind op. Honderden kleine vonkjes werden Abby’s richting in geblazen, en gillend dook ze in elkaar. Alsof er honderden kleine naaldjes in haar huid geprikt werden landden de vonkjes op haar huid en kleren, en ze bedekte haar hoofd en nek met haar armen.
‘Fuck!’ Ze schuifelde achteruit, maar een nieuwe windvlaag bracht weer een regen van vonkjes, en Abby beet hard op haar lip. Weer kraakte er iets onheilspellend. Ze trok haar armen weg in een poging te zien wat er gebeurde, maar plots kwam er een enorme schaduw vanaf boven op haar af. Toen wist ze zeker dat het voorbij was.
Abby gilde de longen uit haar lijf terwijl ze hulpeloos achteruit kroop. Met een harde klap kwam de boom op de grond, en ze had nog nooit harder geschreeuwd dan toen. De takken zwiepten als hete zwepen op haar lichaam en verspreidden het vuur op haar jasje en blouse. Het voelde alsof haar hele borst verschroeid was, verzwolgen door het vuur, zwartgeblakerd van de as. Toen voelde ze niets meer.
Abigail opende haar ogen. Haar hele lichaam stond in vuur en vlam, maar ze voelde niets. Geen hitte, geen pijn, maar ook geen angst. Ze had nooit geweten dat sterven vredig kon zijn.

Laryanue
Karaoke-ster



Zijn handen omklemden de zwarte controller, zijn vingers drukten haastig op de knopjes en duwden de kleine, ingebouwde joysticks alle kanten op. De kamer werd opgelicht door het flikkerende licht van de televisie. Het geluid stond luid, overstemde alle andere geluiden. Vermoeid staarde hij naar het scherm, maar hij weigerde om op te houden, hij was net zo goed bezig. 
Zijn kaken waren op elkaar geklemd van de spanning, zijn ogen knipperden alleen wanneer het echt nodig was. Iemand die hem nu had kunnen zien, had waarschijnlijk gezegd dat hij verslaafd was en hulp moest zoeken. Waarschijnlijk zou diegene niet de eerste zijn om dat te zeggen, aangezien hij wel vaker nachtenlang aan het gamen was. Hij zag er ook niet echt bepaald uit als iemand die zijn tijd graag verdeed aan andere dingen. Zijn haar zat in de war, hij had zich niet geschoren en hij droeg een trainingsbroek en een shirt. Hij had niet echt de moeite genomen om zichzelf op te doffen, omdat hij toch niet het huis uit was gegaan die dag. Het was een dag zoals elke andere, hij volgde colleges, ging daarna werken en zodra hij thuis was ging hij gamen. Dat was het handige van duale studies, je hoefde niet gedag te zeggen tegen je inkomen. 
Het verliep zoals altijd, tot hij ineens een geluid hoorde dat er niet thuishoorde. Schreeuwende mensen, openscheurend beton en asfalt, brokkelende stukken grond. Tenminste, hij dacht dat het zo klonk. Eerst dacht hij dat het bij het spel hoorde en dat het een geluidseffect was dat hij niet eerder had gehoord, maar het leek steeds luider te worden en het voelde alsof de grond onder hem begon los te komen. Verward zette hij het spel op pauze. Geluiden kon hij nog wel begrijpen, maar een trillende grond klopte niet. Hij legde de controller weg en liep naar het raam. Veel kon hij niet zien, de lantaarnpalen bleken geen licht meer te kunnen geven. Uiteindelijk besloot hij zijn schoenen aan te trekken en naar buiten te gaan om eens goed te kunnen kijken wat er aan de hand was. In het zwakke maanlicht onderscheidde hij enkele dingen. Het leek alsof er lichamen op de straten lagen, mensen die voor hun levens renden en geisers die uit de grond barstten. Ze waren klein, maar sommigen verpulverden de grond om zich en werden steeds groter. Een man die in zijn buurt lag, leek niet meer in staat te kunnen zijn om te bewegen, zijn lichaam zat onder de blaren en hij leek niet meer dan een zacht gekreun uit te kunnen brengen. 
Samael deed een poging om naar hem toe te lopen, maar schrok op toen er naast de man een gat ontstond in het asfalt waar kokend water uit begon te spuiten. 
Hij kon een vloek niet onderdrukken en hij besloot te rennen. Meerderen hadden het al geprobeerd, maar velen hadden al gefaald. Hun lichamen lagen op de grond, maar van sommigen was er niet veel meer over. Struikelend bewoog hij zich voort door de straten bezaaid met bulten in het asfalt en gekookte lichamen. Het was alsof de hele straat, nee de hele stad, een enorme geiser werd. 
Hij vervloekte zichzelf wegens het feit dat hij niet vaker dan een keer per week naar de sportschool ging. Als hij dit verdomme nog overleefde zou hij niets anders doen dan hardlopen. Water spoort aan alle kanten op, sommige druppels verdampten en dreven in wolken weg, anderen brandden zich in zijn huid, vormden rode plekken en blaren. Tijd om te vloeken had hij niet, hij had daar nauwelijks genoeg lucht voor. Voor hem renden nog enkele anderen, net zo verwoed zoekend naar een uitweg, struikelend over alles wat ze tegen kwamen. Hij bewoog zich vaker voort op handen en benen dan op enkel zijn benen. De duisternis vervloekend duwde hij zichzelf elke keer weer overeind om weer verder te rennen, om dan vervolgens tegen een geparkeerde auto of een lantaarnpaal op te rennen. Meer dan eens sprong hij bijna in een geiser. Zijn haren en kleding waren kletsnat van het vocht, zijn spieren verzuurden door het rennen, zijn huid brandde door de kokendhete druppels die hem met rode vlekken en blaren bedekte. Hij dacht uit de kern van het gebied te zijn, tot hij de hoek omsloeg. 
Het water kookte hem, brandde zijn sporen in zijn huid, blies hem dodelijke hitte toe. Bij de eerste aanraking waren zijn zenuwen weggekookt, was zijn lichaam gedoemd om zich aan de geiser over te geven. De duisternis verloste hem van deze mistige, kokende hel. Het was voorbij, hij hoefde niet meer op zijn omgeving te letten, hoefde zichzelf niet meer overeind te duwen, hij hoefde niet meer te rennen voor zijn leven. Hij zou zijn lichaam achterlaten in deze helse warmte, in deze uitbarsting van water. Er zou niks meer van overblijven, maar dat zou hem niet meer uitmaken. Hij was bevrijd van deze wereld die verdoemd was om op te gaan in rampen van de natuur. Deze geisers die plotseling verschenen, waren nog maar het begin. Tornado's zouden volgen, destructieve wervelwinden, ze zouden alles vernietigen. Tsunami's zouden komen, gepaard met aardbevingen. Beide allesverwoestend. Hij zou het niet meer meemaken, deze hel van een wereld. Hij zou nooit meer te hoeven vluchten voor wat moeder natuur voor hem en alle andere levende wezens in petto had.
Carolynn
Internationale ster



Terry stond op het om te vertrekken naar het vliegveld, toen plots de telefoon ging. Het was zijn vriendin.
"T-rex! Ga nou niet weg, ik wil dat je hier blijft, ik kan het niet overleven zonder jou." Zei ze verdrietig aan de telefoon.
"Sorry Laura, deze laatste ruzie was de druppel, ik ga nu echt weg." Zei hij terwijl hij ophing. De ruzie's werden de laatste dagen steeds erger. Zijn ouders stonden op het punt om te scheiden, maar er werd nogal gekibbeld over de bezittingen en de kinderen.
Even later stond Terry op het vliegveld met een grote glimlach en een zonnebril op. Waar hij heen ging wist hij nog niet, in ieder geval ver weg van hier. Met al zijn spullen op zo'n debiel karretje ging hij staan voor de rij waar je tickets kon kopen.
Het duurde vrij lang voordat Terry mocht, toen hij op het scherm keek stonden er drie landen: Egypte, Rusland en Zuid-Afrika. Omdat hij afgestudeerd was van een opleiding Seismologie koos hij voor Zuid-Afrika, want daar lagen de breuklijnen erg mooi.
Na alle incheck procedures ging Terry wachten totdat zijn vliegtuig werd omgeroepen. In de tussentijd ging hij opzoek naar de juiste Gate en kocht hij een boekje en wat te drinken en eten.
Een halfuur later ging de Gate open en kon Terry het vliegtuig binnen. Tijdens de vliegreis gebeurde er vrij weinig, behalve dan de standaard turbulentie.

In Afrika was het Droogte seizoen begonnen. De droogste tijd van het jaar. Het was snikheet en regen was ver te vinden. Met een Taxi werd Terry naar zijn hotel gebracht en hij ging daar zijn kleren inruimen.
Even later op die avond, na het avondeten, zette hij de televisie aan op het weer van de volgende dag te bekijken. Niet veel bijzonders, het zou de komende dagen aanhoudend droog en warm zijn.
Na een vrij rustige nachtrust, stond Terry vroeg op om naar de breuklijnen te gaan kijken die daar in de buurt waren. Hij had zijn meetapparatuur bij zich en nam die ook mee.
De breuklijn bevond zich in de woestijn, Terry werd dus gewaarschuwd dat hij genoeg te drinken mee moest nemen. Omdat Terry koppig is, had hij niet genoeg te drinken meegenomen. Hij wilde gewoon al zijn berekeningen hebben voordat hij terug ging.
Zijn ademhalingen werd steeds heviger, hij moest hoesten. Een paar mannen die hem gebracht hadden hoorden dat en keken naar Terry. Heel even werd het zwart voor zijn ogen, toen hij zijn ogen weer opendeed was alles er nog gewoon, maar toen hij voor de tweede keer zijn ogen sloot en hij voelde dat hij viel, wist hij dat alles voorbij was. Waarom moest hij nou zo koppig zijn?
Hij wilde zijn leven ook niet eindigen met de ruzie die thuis nog woedde.

Een paar weken later was de begrafenis, het had niet mooier kunnen zijn. Zijn geest was nog op de aarde en kon nog afscheid nemen van zijn leven. Hij zag zijn ouders aan weerszijde van zijn kist staan, ze waren dus toch uit elkaar gegaan. Zijn zusjes stonden aan de kant van zijn moeder.
Nadat Terry dit allemaal gezien had voelde hij een hand op zijn schouder. Hij knikte en zei:"Het is tijd om te gaan." En Terry verscheen in het witte licht samen met een engel.
Anoniem
Landelijke ster



Rosalie

Audrey en ik waren hulpverleners. Beide van ons verleende hulp in een andere situatie. Audrey verleende hulp in plaatsen waar een natuurramp is gebeurd. Bij mij was het anders. Ik verleende hulp in oorlog landen. Ik hielp gewonde mensen in oorlog rampen. Het maakte me niks uit wie als ik maar hulp kon verlenen. Ik verleende hulp aan mensen die slachtoffers waren van het oorlog en gewonde soldaten.

Eindelijk hadden we beide vrij en waren we terug in Monaco. Ik had Audrey overgehaald om samen naar het strand te gaan. Fijn met z’n tweeën. Ook al waren wij beide uitgeput gingen we toch samen.

We liepen over het grind van onze voortuin en liepen naar het strand toe via het grindpad. Het geluid was heerlijk om het weer te horen dat we weer thuis waren. Langzaam veranderde het grind in zand en rook je al het zoute zeegeur. Het water twinkelde door het licht weerkaatsing van de zon. Het was mooi zonnig en helder weer. Audrey ging eerst lekker zonnen en liggen op haar handdoek, terwijl ik in de zee sprong en begon te zwemmen.

Af en toe dook ik even diep en keek ik de mooie koraalriffen in het water met mooie tropische vissen. Ik zwom diep verder en bekeek alles. Ik draaide me onderwater om en keek naar de waterspiegeling. Nog nooit voelde ik me zo fijn om weer eens te kunnen zwemmen. Mijn zuurstof was al bijna op en ik ging terug naar boven om adem te happen. Ik zwom terug richting Audrey. ‘’Audrey! Het water is echt fijn kom je ook?!’’, riep ik naar haar. Ik zwom naar haar toe toen plotseling mijn voet klem kwam zitten. Met alle macht probeerde ik verder te komen maar ik kwam geen centimeter verder.

 ‘’Audrey! Help ik zit vast!’’, riep ik zo hard als ik kon naar Audrey. Al snel raakte ik in paniek en er kwamen al een paar hevige golven. ‘’Audrey help!’’,riep ik hard. De golven trokken me naar beneden. Snel had ik nog een hap naar lucht gedaan voordat ik onder water kwam. Ik zwom naar beneden om te kijken waaraan ik bleef haken. Mijn voetarmband bleef bij een giftige koraalrif haken. Ik probeerde het los te maken maar het lukte me niet. Mijn lucht raakte bijna op. Ik deed nog een poging om naar boven te gaan en adem te halen.

Ik kwam boven water uit en hapte naar zuurstof. Er kwamen nog hogere golven dan daarvoor. Elke golf kwam heftig neer.  Audrey sprong in het water en hielp me gelijk eruit. Ze zei: ‘’Ik schrok me te pletter laat me alsjeblieft nooit meer zo schrikken.’’. Ik knikte naar haar. We hoorde gelijk geschreeuw van het strand. Mensen gilde en wees naar de golven. We draaide ons om en zagen een grote tsunami op ons afkomen. Ook al waren Audrey en ik goed in zwemmen maar toch was dit anders. Er zat allemaal stukken van kapotte huizen, auto’s en puin.

Audrey hield me stevig vast en ik begreep wat ze bedoelde. Ik knikte en kneep in haar hand. Ik sloot mijn ogen en de golf raakte ons heftig. Ik verloor de hand van Audrey en wou schreeuwen. Ik kon het niet omdat de druk zo sterk was. Ik voelde overal pijn en puin die me raakte. Ik opende snel mijn ogen en zag een grote stuk hout met een enorme kracht aankomen. Het heeft een scherpe punt. Voordat ik kon ontwijken raakte het me al bij mijn hart. Ik liet al mijn zuurstof los en mijn laatste blik was het waterspiegeling van de zee. 


Anoniem
Straatmuzikant



Audrey
Rosalia had me overgehaald om vandaag naar het strand toe te gaan. Ik had de laatste tijd zo druk gehad dat ik geen tijd meer over had om leuke dingen te kunnen doen. Ik vond het onwijs gezellig dat we eindelijk iets leuks met z'n tweeën gingen doen. We zagen elkaar weinig omdat ik hulp verleende aan gewonden door de natuurrampen. En Rosalia verleende hulp aan slachtoffers van oorlogen We waren nu eindelijk na een lange tijd thuis. Eindelijk terug in Ibiza, wat was het fijn om weer op vertrouwde grond terug te zijn. En dan vooral naar de meteoorinslag in Cuba. Alle gewonden en doden die we daar hadden gezien echt afschuwelijk ook al was het ons werk. Een tijdje later waren we aangekomen op het strand. Ik kleedde me snel om in de kleedhokjes op het strand. Ik legde mijn handdoek neer op het poedersuiker witte strand. Ik pakte mijn boek en begon terwijl ik aan het zonnen was te lezen. Eindelijk rust dacht ik bij mezelf. Ik vond hulpverlenen helemaal niet erg maar het vreet energie. Rosalia vroeg na een tijdje of ik misschien zin had om te zwemmen. "Nee ik heb niet zo'n zin." Zei ik met een lach. "Oké ik ga zwemmen tot zo" Zei ze met een knipoog. Ik zette mijn zonnebril op en begon weer met lezen. Zo'n tien minuutjes later zette ik mijn bril af met een raar gevoel in mijn maag. Het was alsof er iemand in gevaar was. Ik keek de zee in en zag golfen die steeds groter werden. Ik zag Rosalia keer op keer kopje onder gaan en ik rende naar de zee toe en sprong erin. Ik zwom snel naar haar toe en dook onder. Ik zag dat haar voet vast zat aan een stuk koraalrif. Ik trok snel het stuk van haar voeten af en ze was eindelijk vrij. Ik gaf haar een grote knuffel en zei "Ik schrok me te pletter laat me alsjeblieft nooit meer zo schrikken." Toen hoorde ik mensen gillen van het strand af. Ik keek naar het strand en zag mensen wegrennen en naar de zee toe wijzen. Ik keek met een verbaast gezicht naar de zee toe en zag een enorme tsunami op ons afkomen. Het water zou op zich geen probleem zijn want we waren allebij zo'n beetje geboren in het water maar er dreven allemaal stukken van kapotte huizen,auto's en puin. Ik keek Rosalia aan en we wisten het allebei. Dit was het einde maar we hadden elkaar nog. Ik pakte haar vast en we wachtte samen op het einde. De golf kwam steeds dichter bij en werd steeds groter. Ik was doodsbang maar liet dat niet merken. Ik kneep zachtjes in Rosalia's hand en toen kwam de tsunami. Ik verloor Rosalia en wou gillen maar dan zou ik adem verliezen. De brokstukken sneeden in mijn huid en ik had het gevoel alsof ik vanaf alle kanten uit elkaar werd gehaald, wat eigenlijk ook gebeurde. Ik was alleen en ik had bijna geen adem meer. Terwijl het water doorging zag ik dat het water om me heen rood kleurde. Mijn bloed, ik keek om me heen en zag een grote auto op me af komen. Maak het maar af dacht ik. Ik ben toch helemaal alleen, er is niemand die me kan beschermen. Ik checkte mezelf na, ik had me jarenlang op dit moment voorbereid. Hoewel je nooit wist of het wel zou gebeuren. De begrafenisondernemer was betaald en ons testament was geschreven. We zouden naast elkaar worden begraven veilig en rustig. De auto kwam op me af en plette me tussen een gebouw in. Ik voelde de levenskracht uit me weg vloeien en ik wist dat dit het einde was. Ik sloot mijn ogen voor de allerlaatste keer.

Dauntless
Wereldberoemd



Tegenwoordig kwamen de windvlagen en tornado's zo snel achter elkaar dat men ze niet meer aangaf op het nieuws en iedereen gewoon voor zichzelf moest zorgen. Benjamin en zijn familie hadden samen met de rest van hun dorpje in South-Carolina een ondergrondse schuilkelder die in de oorlog werd gebruikt uitgebouwd tot een geheel wooncomplex voor zo'n honderd personen. Hun huizen waren meegenomen met de wind en dit was zo'n beetje het veiligste alternatief al was het wel enorm donker en was er niets leuks te beleven. Ze mochten we naar buiten, maar alleen wanneer het echt veilig was. Er zat ook een onderzoekskamer in de dassenburcht zoals iedereen het noemde en daar werd onderzocht wanneer er orkanen aankwamen al waren die onderzoeken niet altijd volledig en kwamen er de laatste tijd orkanen gewoon uit het niets op. 
Vandaag was het een mooie zonnige dag en Benjamin die samen met de andere 18- en 19-jarigen de jongere kinderen moest amuseren lag buiten op een heuvel naar de wolken te staren die momenteel rustig voorbij dreven. Hij zuchtte en dacht aan zijn leven voordat de wereld plots zo raar begon te doen. Hij was net zijn studie Chemie en Biologie begonnen omdat hij later naar ongekende gebieden wou reizen en daar onderzoek uitvoeren, maar dat zou nu natuurlijk niet gebeuren. Hij was zo in gedachten verzonken dat hij pas terug bij zinnen was toen een meisje begon te gillen. Ze had haar vinger uitgestoken en Benjamin keek in de richting naar waar ze wees. Ze waren nog ver weg maar hij zag duidelijk een hele groep tornado's hun richting uit komen. Iedereen rende snel terug naar de dassenburcht en Benjamin volgde gedwee. Binnen werd iedereen natuurlijk geteld en natuurlijk moest er weer iemand missen. Dankzij de vele stormen had Benjamin wel geleerd los te laten net zoals de meeste mensen die hier woonden, maar toen hij te weten kwam wie er nog buiten rondliep veranderde dit de zaak. Hij rende meteen terug naar de zwaar bewaakte en bepantserde deur. Natuurlijk lieten de mensen die momenteel voor de bewaking instonden hem niet zomaar naar buiten, zeker niet wanneer er zo'n storm op komst was. Maar Benjamin verzette zich. "Ik moet hem gaan halen, we zijn op tijd terug" bleef hij herhalen en het zou niet lang meer duren voor hij geweld ging gebruiken. Zijn ouders waren ook nergens te bekennen en na een kort overleg mocht hij dan toch naar buiten. Hij keek om zich heen. "Warren" riep hij steeds en rende naar de heuvel waar ze zonet nog op hadden gelegen. Ongeveer honderd meter verder zag hij een kleine stip in de richting wandelden van de tornado's die in die paar minuten angstaanjagend veel dichterbij waren gekomen. De lucht was ook donkerder gekleurd en het was harder gaan waaien maar Benjamin rende de heuvel af en nam zijn broertje in zijn armen. "Benji" zei hij vrolijk en lachend alsof er niets aan de hand was. Connor had een mentale achterstand en besefte niet echt wat er allemaal gaande was, maar toch hield Benjamin van hem, meer dan hij van al de andere mensen in de dassenburcht en daarbuiten hield. "Kom Connor laten we naar binnengaan" zei hij rustig en draaide zich om. "Ik wil naar de lucht zien Benji die wervelingen zijn zo mooi" zei zijn broertje die op de grond bleef zitten. "Ze zijn dan wel mooi, maar ze worden onze dood als we niet snel teruggaan naar de dassenburcht" hield Benjamin vol terwijl hij zijn broertje tegen zijn zin recht trok. Plots hoorde hij de stem van zijn ouders die naar hen toe kwamen gered en hen beide stevig omhelsden. "We kwamen erachter waar jullie waren en kregen een keuze, in de burcht blijven of naar jullie gaan en niet meer terugkomen tot na de storm." Benjamin wist meteen wat ze zouden kiezen, hun kinderen betekenden alles voor hen en zonder hen zou hun leven ondraaglijk zijn. "Oh mam, pap dat is gewoon stom van jullie, maar het liefste dat jullie ooit gedaan hebben" fluisterde hij waarna ze zich omdraaiden en naar de tornado's keken die op hen afstormden. "Kom Connor we gaan terug zitten en dan kunnen we verder naar de wind kijken" zei Benjamin en ze gingen alle vier op de grond zitten, dicht bij elkaar. Ze hielden elkaars handen stevig vast terwijl de wind sterker en sterker werd en de immense tornado's dichter en dichter kwamen. "Heb je ooit al eens willen vliegen Connor" vroeg Benjamin terwijl zijn broertje knikte. Hij probeerde zichzelf sterk te houden maar wanneer je de dood recht in de ogen kijkt is dat nogal moeilijk. Hij werd opgetild in de lucht terwijl zijn gezin zich zo stevig aan elkaar vasthield dat het leek alsof ze één bolletje leven waren.  Benjamin kon het niet laten om naar beneden te kijken, eigenlijk voelde het echt alsof hij aan het vliegen was al wist hij dat het slechts enkele minuten was voor ze door de wind zouden worden weggeslingerd en te pletter zouden storten. De wind werd sterker en sterker en trok hen langzaam uit elkaar. Benjamin deed er alles aan om zich vast te houden aan zijn familie, maar de wind was sterker en uiteindelijk werd hij weggeblazen. Hij voelde dat hij spoedig de grond zou raken, maar hij keek niet langer naar beneden, maar naar zijn familie die hetzelfde lot als hem te wachten stond. Hij hoopte dat hij samen met hen zou sterven, met hen in zijn armen maar nu was hij alleen en hij kon enkel toekijken hoe zij op de grond te pletter stortten en hij niet veel later zou volgen. Hij had nooit geloofd in de hemel of een leven na de dood maar nu hoopte hij gewoon dat hij hen ooit nog eens zou zien en nog eens zou kunnen vasthouden. De grond was nog maar enkele centimeters verwijderd en toen hij er op neersloeg hoorde hij alleen maar het gekraak van botten. Een korte hevige pijn overviel hem, maar al snel daarna werd alles zwart.




Anoniem
Straatmuzikant



Jordan

De laatste paar maanden was het bijna niet uit te houden in Florida. Snikheet, dat was het. De gemiddelde middagtempratuur werd gemeten op 40 graden, 's avonds ongeveer 30. Je zou denken dat een persoon er inmiddels aan gewend zou zijn geraakt, maar nee. Niemand kan wennen aan de een hittegolf, vooral niet als hij meer dan 2 maanden duurt. Maar ik mag god op mijn blote knieën danken dat ik airco in mijn auto heb. Met één druk op de knop gaat hij van de centrale deurvergrendeling af en ik smijt mijn tas in de kofferbak. Ik stap in mijn auto, maar voordat ik de auto uberhaupt start, rommel ik in mijn dashboard kastje voor mijn pakje sigaretten. Aangezien de droogte is het niet verantwoord om buiten te roken. Helaas mag je bij mijn werk binnen ook niet roken, dus het moet maar in de auto. Haastig steek ik de sigaret aan en neem een diepe hijs. Genietend leun ik tegen de rugleuning aan en laat het me even bezinken. Met mijn ogen dicht ga ik de dag langs. Van binnenkomst op de vroege ochtend, tot de bloedmooie meiden die in korte mantelpakjes rondliepen en het moment van verlossing. Grinnikend dacht ik aan de jonge griet die vandaag voor het eerst aan het werk was. Ze was erg mooi, natuurlijk. Mijn baas neemt geen lelijke honden aan op kantoor. De kerels moeten natuurlijk ook wat te zien hebben. Ik likte langs mijn lippen bij de herinnering aan haar. Wauw, wat een prachtvrouw. Het liefst had ik haar mee in de auto genomen om een leuk avondje te beleven. Ik lachte hardop en opende mijn ogen weer. Ik merkte dat er al een behoorlijk stuk van mijn sigaret opgebrand was, ik tikte hem af en keek recht voor me naar buiten. Wat ik daar in mijn blikveld aantrof, zorgde ervoor dat ik mijn sigaret liet vallen, mijn sleutels greep en haastig naar het contactslot zocht. Voor mijn auto, ongeveer een paar honderd meter verder, was er plotseling een muur van water. Golven zo hoog als de twin-towers waren onderweg naar mij.
''Godver,'' schold ik en ramde mijn sleutels in het contact. Ik trapte de koppeling in en startte de auto. Snel naar de één en wegwezen. Maar goed, als je pas weg rijdt als de tsunami al bijna bij je is, maak je geen kans meer. Erg gemakkelijk werd mijn hummer van de grond getilt en mee genomen door de grote vloedgolf. Ik tolde in de auto rond en ik probeerde de deur open te krijgen, wat helaas niet lukte. 
Toch kon ik me er niet erg druk om maken. Ik was niet bang of iets dergelijks, het kwam gewoon op mij af. Met dit in mijn gedachtes knalde ik, samen met de auto, tegen een flatgebouw aan en mijn hoofd schoot door de voorruit heen. Ik zag een flits voor mijn ogen en dat was het. Niets meer dan zwart.
Anoniem
Internationale ster



Een vrolijke lach veroorzaakt door enkele woorden van het meisje aan de andere kant van de telefoon, een hond die begint te blaffen als de moeder van het gezin zijn eten voor hem neerzet, vader die de krant leest en het jongste meisje starend naar het tv-scherm; allemaal alledaagse dingen op een doodgewone dag, tenminste op dat moment was het nog een gewone dag. Niemand was zich bewust van het naderende onheil. Niets dat hun of de andere mensen in het dorp kon waarschuwen; geen wind, geen regen, maar gewoon een helderblauwe lucht en dezelfde heerlijke rust als altijd.

"Heeft ie dat echt gezegd? Echt geen grapje? Zweer het," zei het meisje die de telefoon in haar handen had met de brede glimlach die haar gezicht nog niet verlaten had. Waar ze ook over aan het bellen was met haar vriendin, ze was er blij mee en op dat moment had ze nog gedacht dat niets of niemand haar dag kon verpesten.

"Lieverd, zou je even mijn telefoon van boven willen halen. Ik moet namelijk even iemand bellen," moeders stem was duidelijk gericht tot het oudere meisje die vragend opkeek. Even begreep ze niet waarom zij het moest halen, want haar moeder kon het zelf tenslotte ook, maar al gauw zag ze de reden: haar moeder was met het avondeten bezig. Zuchtend stond het meisje op, de telefoon nog altijd in haar handen, want ze was zeker niet van plan haar gesprek te stoppen. "Zo terug," meldde ze voor ze de kamer uitliep om te doen wat haar moeder haar had gevraagd.

"Ik moest even wat ophalen voor mijn moeder. Nee hoor, ik kan meerdere dingen tegelijk," ging het gesprek vrolijk verder. Ze had gedacht dat ze dit 'wel even' kon doen, maar jammer genoeg was de telefoon niet makkelijk te vinden. "Ik luister wel," sputterde ze tegen als reactie op iets wat haar vriendin had gezegd. "Wat moet ik voelen?" de vraag ging gepaard met een verbaasde blik aangezien ze niet begreep wat tegen haar werd gezegd, maar voor ze een antwoord kon krijgen, voelde ze de kleine trilling waar haar vriendin het over had gehad. "Het is vast niets. Stel je niet zo aan, het is echt geen ramp dat de grond een beetje trilt. Alsof we daar dood aangaan," de laatste zin kwam er mompelend en nauwelijks verstaanbaar uit terwijl ze met haar ogen rolde door het aanstellerige gedrag van haar vriendin. Wat was nou het ergste dat er kon gebeuren?

Plots zorgde een hevigere trilling ervoor dat ze haar evenwicht verloor waardoor ze tegen de muur aanviel. Door de telefoon kon ze de angstige stem van haar vriendin die helemaal in paniek was geraakt makkelijk horen ookal lag het apparaat inmiddels een meter of twee bij haar vandaan. Moeizaam kwam ze overeind wat haar een pijnlijke steek in de schouder waarmee ze zojuist tegen de muur aan was geknald opleverde. "Verdomme," mompelde ze en wilde al naar haar telefoon lopen om die op te rapen toen de volgende trilling kwam die het hele huis liet schudden en enkele dingen op de grond deed vallen. Van beneden kon ze haar vader horen schreeuwen tegen haar moeder die net als haar vriendin in paniek was geraakt, ervanuit gaand dat zij het was die gilde. Misschien was dit toch iets erger dan ze had verwacht.


De dag was niet meer zo normaal als die vanochtend nog was geweest en op straat liepen inmiddels al meerdere mensen paniekerig rond terwijl de ene na de andere schok te voelen was en ze leken alleen maar erger te worden. Door alle gillende mensen en spullen die omvielen, hoorde ze het nu nog zachte gekraak niet toen ze richting de deur liep om naar haar ouders en zusje te gaan. Angst voelde ze zeker, maar haar gezicht liet het niet zien. Ze bleef in zichzelf herhalen dat ze rustig moest blijven, maar dat werd moeilijker met de seconde door het huis dat steeds minder stevig leek met elke schok die het deed trillen.

"Cassandra?!" hoorde ze haar vader schreeuwen en het verbaasde haar dat ze paniek in zijn stem kon horen. Ja, hun knusse huisje was opeens niet zo knus en veilig meer door alle troep die op de grond was gevallen en op meerdere plekken lag inmiddels glas waar je voor moest uitkijken en de muren leken moeite te hebben om het huis te dragen, maar haar vader en paniek? Op dat moment drong pas echt door hoe ernstig de situatie was en voor enkele seconden bleef ze geschrokken staan terwijl allemaal gedachten door haar hoofd schoten, de een nog erger dan de andere.

Haar vader probeerde haar nog te bereiken, maar het was al te laat, de vloer onder haar voeten begaf het en ze viel naar beneden terwijl ook de rest van het huis het begaf. Slechts enkele seconden waren nodig voor het huis compleet was ingestort en Cassandra en haar vader niet meer leefden. Ze waren verlost van de pijn die ervoor had gezorgd dat ze de laatste seconden van hun leven ondragelijk had gemaakt.

Azelf
Straatmuzikant



Gulzig zette hij zijn tanden in de verrukkelijke sandwich, en nam een hap. De smaakexplosies vulden zijn mond. Het was al een tijdje geleden dat de familie Daelerio samen buiten gegeten had, maar vandaag was daar verandering in gebracht. Het was nu even stil, iedereen genoot van de lekkernijen die Ares’ moeder de vorige avond al had klaargemaakt. Blijkbaar was het minder dan het toen leek, want het was veel te snel op. ‘Dat was heerlijk,’ verzuchtte Ares, in een vrolijke bui. ‘Gelukkig,’ zei zijn moeder. Ze glimlachte even naar hem, waarna ze de restjes terug in de grote mand stopte. Ares legde zich neer op het frisgroene gras, en hij staarde naar de wolken, die vredig voorbij zweefden. Ooit wilde hij weg uit dit saaie dorp, net zo ver als die wolken. Hij zuchtte even, verdiept in zijn gedachten. Zijn kleine zusje, zijn vader en zijn moeder praatten voluit, maar Ares deed geen moeite ze te verstaan. Als het belangrijk was, hadden ze hem immers wel even gewaarschuwd. Even liet hij zijn ogen dichtvallen. Hij genoot van de warme zonnestralen die zijn getinte gezicht en blote armen streelden. Sommigen vonden de hitte en droogte van de afgelopen weken verschrikkelijk. Ares, echter, vond het heerlijk. Toen de jongen zijn ogen weer opendeed, merkte hij wat donkerdere wolken op. ‘Hé pap?’ zei hij verwonderlijk. ‘Wat is er?’ vroeg zijn vader. ‘Wat is die… die zwarte rook?’ Hij wees omhoog. ‘Ik weet het niet,’ zei zijn vader twijfelend. ‘Mag ik gaan kijken?’ Ares schoot al overeind, en keek zijn vader vragend aan. ‘Hmm.’ Zijn vader volgde de rook met zijn oplettende ogen. ‘Nee,’ besliste hij, ‘Ik laat je niet alleen door dat bos gaan.’ Ares trok een wenkbrauw op. ‘Hoe oud denk je dat ik ben?’ vroeg hij beledigd. ‘Niet zo brutaal tegen je vader, Ares,’ waarschuwde zijn moeder. ‘Ja, maar ik ben toch geen kind meer, en het is maar een bos! Ga anders mee, pap!’ zei Ares, en hij stond op. Zijn vader zuchtte, als zijn zoon eenmaal iets in zijn hoofd had, kreeg je het er niet meer uit, en dat wist ook hij. Zijn vader stond nu ook op. ‘Doe voorzichtig,’ riep Ares’ moeder hen nog na. ‘Ja hoor!’ riep Ares. In stilte liepen de twee naar de bosrand. Bijna meteen liep Ares een stuk sneller dan zijn vader. Logisch, Ares was een stuk jonger en altijd energiek. De jongen had dit echter niet door, en de afstand tussen de twee werd steeds groter. Ares’ nieuwsgierigheid en ongeduld dreven hem steeds dieper en verder het bos in. Toen merkte hij ineens een geur op. Een geur die niet in een droog bos thuishoorde, een geur die gekoppeld werd aan gevaar: de geur van vuur. In plaats van dat dit hem afschrok, wekte het juist nog meer nieuwsgierigheid op. Ook zijn behoefte aan avontuur speelde op. Hij grijnsde breed en liep nog sneller. Het geroep van zijn vader bereikte hem nu niet eens meer. De geur van het vuur werd steeds sterker, en het feit dat Ares nog steeds niets zag, maakte hem nog gewilliger om verder te gaan. Hij wist nu wel zeker dat er ergens brand was, het enige bewijs wat hij nog miste, was het zicht. Het zicht van de metershoge, bloedhete vlammen die likten aan de bomen en aan het gras, en alles verzwolgen wat ze tegenkwamen. Nog nooit had hij zulk een verlangen gevoeld om zich naar zo iets gevaarlijks te begeven. Adrenaline ruiste door zijn aderen, toen de verraderlijke geur steeds sterker werd. Hij kende dit bos niet zo goed als die aan de andere kant van het dorp, maar hij voelde zich toch zelfverzekerd. Juist op het moment dat de illusie van zelfvertrouwen door zijn hoofd spookte, stapte hij een open plek op, en de warmte, die de bomen tegen hadden gehouden, sloeg hem in het gezicht. Ook het aanzicht van de verkolende bomen vaagde het fantastische gevoel weer weg. Ontzag was in zijn ogen te lezen, terwijl hij het afschrikwekkende schouwspel voor hem in zich opnam. De vlammen laaiden hoog op, zo’n honderd meter van hem verwijderd, en verwoestten alles in hun weg. Ze naderden langzamer dan Ares verwacht had, vooral na zo’n droge periode. ‘Pap?’ zei hij, zijn stem schor. ‘Pap!’ riep hij nu. Hij draaide zich abrupt om, en begon gehaast te rennen. Al de gevoelens die hij had gehad, gingen alleen maar over hemzelf, realiseerde hij zich, hij had zich geen enkele zorgen gemaakt over zijn vader, of zijn zusje, zijn moeder. ‘Pap!’ riep hij opnieuw, ‘Waar ben je?’ Het zelfvertrouwen van net verplaatste zich voor frustratie. Waarom kon hij nou nooit iets vinden, juist als hij het nodig had? Geagiteerd rende hij van hot naar her door het bos. Wat hij echter niet wist, was dat de vlammen, na de open plek overgestoken te hebben, zich veel sneller bewogen. De dode, gele blaadjes knetterden in het vuur. Ook Ares’ vader maakte zich grote zorgen. Het zoeken van zijn zoon voelde als zoeken naar een speld in een hooiberg. ‘Ares!’ riep hij herhaaldelijk, maar geen reactie. Toen merkte hij de vlammen ook op. Hoog boven de bomen reikten ze, en de zwarte wolken en de geur kwamen steeds dichterbij. ‘Ares!’ riep hij nog een keer wanhopig. Toen kreeg hij ineens wel antwoord. ‘Pap!’ riep Ares. ‘Pap, waar ben je?!’ ‘Blijf roepen, ik kom naar je toe!’ riep zijn vader terug. En zo het geschiedde. Vader en zoon sloten elkaar weer in de armen, en even leek het weer net zo vredig als tijdens de picknick. Tot zijn vader afstand nam, en de schouders van Ares stevig beetpakte. ‘We moeten terug naar je moeder, en je zusje,’ zei hij vastbesloten. Natuurlijk wist geen van beide mannen precies waar ze heen moesten, maar een ding was zeker: weg van het vuur. Alsof ze elkaars gedachten lazen, begonnen ze allebei dezelfde kant op te rennen. Toen sloeg het noodlot weer toe; Ares, die het nog steeds niet doorhad, rende weer harder dan zijn vader. Lopend had de jongen al snel een voorsprong gehad, laat staan rennend. Dit keer riep Ares’ vader hem echter niet. De veiligheid van zijn zoon vond hij momenteel belangrijker dan zijn eigen veiligheid. De vlammen naderden de man al snel. Steeds dichterbij kwamen zij, steeds angstiger werd Ares’ - eveneens Rory’s - vader. Toen de man na nog een paar stappen bijna struikelde over zijn eigen voeten, nam de frustratie het over. Hij zette zijn zoons leven op het spel door de harde, paniekerige gil die zijn keel verliet. Ares, wiens zintuigen scherper dan normaal leken, hoorde de angst in zijn stem meteen, en draaide zich abrupt om. ‘Vader, focus!’ riep hij. ‘Anders komen we hier nooit uit!’ Hoe bang en gebroken de jongen was, klonk niet door in zijn stem. Het lukte hem zijn vader moed in te spreken. Het was maar een klein beetje, maar het was er wel.
Had de man maar geen tranen in zijn ogen gekregen, van trots om zijn zoon, die nog zo dapper overeind stond. Had het noodlot maar niet toegeslagen, letterlijk en figuurlijk. Alleen al als de wind anders had gestaan, en de boom die de trotse vader als een vlieg vermorzelde een stuk of tien centimeter verder was gevallen, dan was het goed gekomen. Dan had Ares zijn vader, zijn voorbeeld, zijn wereld niet hoeven zien sterven. Dan had hij de weerzinwekkende kreet niet hoeven horen, waarna een zelfde zijn eigen keel verliet. De jongen, wiens wereld om zich heen in was gestort op dat ene, kleine moment, was naar zijn vader toe gerend, blind voor de vlammen, doof voor het geknetter, en had hem geprobeerd te redden. Niets in hem vertelde dat het onmogelijk was, al zijn zintuigen waren overtuigd van het tegenovergestelde. Tot zijn zintuigen de discussie met het logisch verstand op moesten geven. Ares zelf had het op moeten geven. De strijd met vuur win je niet.

Plaats een reactie
Reageer
Om nieuwe berichten te laden: ingeschakeld
Eerste | Vorige | Pagina: