Hier komen de laatste 3 forum topics
te staan waarop je hebt gereageerd.
+ Plaats shout
Dazy
Gezond en gelukkig 2026 💝
0 | 0 | 0 | 0
0%
Om mee te kunnen praten op het forum dien je ingelogd te zijn.Nog geen account? Klik hier om een gratis account aan te maken.

> Sluiten
Helper
12 van de 24 sterren behaald

Forum

ORPG, gedichten en schrijvers < Virtual Popstar
[v] De Goudcamera
Fray
Karaoke-ster



1

Anna Ludy is zonder twijfel het mooiste meisje dat ik ooit heb gekend.
   Met vrouwelijke bewegingen stoot ze zich een weg door het hoge graan dat zich van haar af buigt.
   Een kilometer of acht van de stad vandaan. Geen bereik en geen elektronica op mijn gouden camera na. Dit model heb ik van oma Nelly gekregen, vlak voordat ze mijn opa’s voorbeeld volgde en in een oneindige slaap viel.
   Anna’s felrode haren en grasgroene ogen zouden gek staan bij een ander meisje, maar bij haar gaat het op bijna magische wijze in haar levensstijl op. Ze is fotogeniek; hoe mooi de omgeving ook is, alle aandacht gaat naar haar. Bijna alle foto’s die ik bezit hebben haar in de hoofdrol.
   Fotografie is een abstracte vorm van verhalen vertellen. Anna’s verhalen zijn cryptisch, mysterieus en tegelijkertijd glashelder. Ik weet niet hoeveel meisjes dat voor elkaar kunnen krijgen, maar waarschijnlijk is ze één van de weinige.
   Er loopt een rode striem over haar nek, omdat er net zoals bij mij altijd een camera aan een felgele band om haar nek bungelt. Ik heb haar ontmoet tijdens een paar fotografielessen op vakantie in Frankrijk en het leek wel voorbestemd toen ik erachter kwam dat we in dezelfde stad woonden. Later zijn we samen lid geworden van dezelfde fotografievereniging. Ons verhaal is een huisje-boompje-beestje verhaal. Meer dan dat hebben we niet nodig.
   Het is dan ook uitermate jammer dat ze nog nooit romantische gevoelens voor me heeft getoond. Ik ben weg van haar, maar zij noemt me ‘maatje’, stompt m’n schouder, schuift míjn stoelen naar achter en houdt deuren voor míj open, heeft geen obsessieve fotocollectie van mijn gezicht en vraagt me nooit mee uit. Mijn vader zei vanochtend dat ik voor altijd alleen zal blijven als ik geen actie onderneem tijdens dit fotografieafspraakje, dus dat is precies wat ik ga doen.
   ‘Anna?’ Mijn lip trilt terwijl ik haar doordringend probeer aan te kijken, maar er waarschijnlijk uitzie als iets waar alleen de wanhopigste meisjes mee naar bed gaan.
   Ze schudt afkeurend haar hoofd. ‘Je moet je concentreren, Silver. Hoe wil je je ooit concentreren als je maar aan één stuk door blijft praten?’
   Misschien weet ze al wat ik ga vragen.
   Misschien wil ze niet dat ik er ooit over begin.
   ‘Het is belangrijk, Anna,’ zeg ik vastberaden en stap uit mijn oncomfortabele fotografenpositie.
   Ook zij komt overeind en strijkt haar bevuilde shirtje glad. Het zonlicht tintelt tegen haar melkwitte armen en ik hoop van harte dat ze niet verbrandt. ‘Oké,’ zucht ze, ‘we kunnen wel even pauze nemen.’ Vrolijk huppelt ze naar de picknickmand waar ik een geïmproviseerde maaltijd voor twee in heb meegesmokkeld. Ze vist er twee kartonnetjes vruchtensap en broodjes kiwi – onze lievelingsbroodjes – uit. ‘Eetsmakelijk,’ zegt ze, deelt haar buit met mij en neemt een flinke hap uit haar broodje.
   Als ik mijn mond opendoe voor een overdreven clichématige liefdesverklaring, besef ik me dat alle relaties eindigen in scheidingen of dood en dat zij veel meer waard is dan dat. ‘Eetsmakelijk,’ mompel ik en neem ook een hap. Er zit een beetje zand op mijn broodje.
   ‘Wat wilde je zeggen?’ vraagt ze met volle mond en neemt een grote slok vruchtensap.
   ‘Dat ik honger had,’ lieg ik en staar naar haar keurig rood gelakte tenen.
   Anna glimlacht en in stilte eten en drinken we alles op. Ik maak nog een paar foto’s van haar en dan rijden we naar huis. Uiteraard doet zij het mannenwerk en zet míj voor míjn huis af. ‘Morgen zie ik je wel weer bij de fotografievereniging,’ zegt ze en geeft gas, waardoor ik alleen op de oprit achterblijf.
   ‘Dat ging goed,’ mompel ik en ga naar binnen.

Mijn kamer is naast Anna geheel in het teken van Ruce Pearson. Hij was een beroemd fotograaf, helaas overleden aan – waarschijnlijk – drugsoverdosis. Het valt me op hoeveel mensen er tegenwoordig overlijden aan dingen die je zogenaamd beter moeten laten voelen. Ik staar meestal naar zijn werk als ik niet aan Anna wil denken, maar dan dwaalt mijn blik ongehoorzaam weer af naar foto’s van haar. Ik kan er niets aan doen. Ze moet gewoon niet zo verrekte mooi zijn
   Dit keer staar ik naar geen van beide. Het verhaal van Anna is momenteel net zo tragisch als het verhaal van Pearson en tragedie is nou niet bepaald mijn ding.
Dus ik staar naar het plafond en laat mezelf niet verder gaan dan alleen het denken aan haar. Kijken naar dingen die je nooit kan krijgen is simpelweg onverdraaglijk.
   En toch nemen mijn jeukende vingers de overhand. Ik gris mijn camera van het nachtkastje af en wil mijn foto’s bekijken, maar dan ontdek ik iets vreemds.
   Elke foto die ik bezit is weg. Alle herinneringen die ik niet heb uitgeprint of laten drukken…
   Ze hebben allemaal plaats gemaakt voor foto’s van één bepaald meisje. Er hangen twee enorme zilveren oorbellen aan haar oren, haar ogen zijn lichtgrijs, haar haren zijn lichtbruin en hangen nonchalant over haar gezicht heen en ze heeft ontelbaar veel tatoeages en piercings. Ze hangt in een rare positie achterover, haar benen bungelend over één of andere tak waar een lichtbol aan het uiteinde van hangt. De omgeving is gebaad in een paarse, sprookjesachtige nevel. Er zijn planten, bloemen en vruchten die ik nooit heb gezien. In de verte zie je water, schitterend in het licht van de maan.
   Maar het raarste is de onheilspellende glimlach om haar lippen en de duivelse twinkeling in haar ogen. Alsof ze me naar zich toe lokt met het mysterie rondom haar, om vervolgens een mes door me heen te boren.
   Ik besluit er niet teveel over na te denken, mijn ogen dicht te doen en te gaan slapen.

Ik ben wakker, maar mijn ogen weigeren open te gaan. Het is alsof ik me in een zwembad tot aan het oppervlak gevuld met mijn moeders wimperlijmverzameling bevind.
   Langzaam dringt het besef dat het vandaag zondag is tot me door. Zondag is de dag dat de fotografievereniging bijeenkomt in het hart van de stad. Ik kleed me zoals elke ochtend snel om, zodat ik niet lang hoef te wachten voordat ik de vertrouwde camera om mijn nek kan trekken. Het dure apparaat bungelt tegen mijn borst aan, precies waar mijn hart zit.
   Ik kijk in de spiegel en zie een jong gezicht voor iemand die vier maanden geleden vijftien is geworden. Mijn hoekige gelaatstrekken zijn het enige wat tegen mijn jeugdige uiterlijk in gaat. Boven mijn donkerblauwe ogen hangen twee borstelige wenkbrauwen rebels omlaag. Mijn zwarte haren zijn door mijn kussen aan één kant futloos tegen mijn slaap gedrukt. Ik breng het even in model, poets vlug mijn ietwat scheve tanden en storm de trap af.
   Vluchtig begroet ik mijn ouders met een kus, voordat ik als een bezetene de deur uit sjees. En dan ren ik. Mijn longen vullen zich met koude lucht terwijl ik mezelf steeds weer een beetje meer vooruit krijg, hopend dat ik niet struikel. Het ochtendlicht is zo perfect om foto’s mee te schieten, maar ik heb geen tijd.
   Als ik het gebouw kan zien, neemt mijn snelheid langzaam af. Ik veeg het zweet van mijn voorhoofd en plakkerige slapen. Langzaam kom ik op adem en zoek steun bij het grote, groene hek dat op alle dagen behalve zondag de mensen buiten houdt.
   ‘Goedemorgen, Silver,’ zegt een lieflijke stem vanaf de andere kant van het hek. Anna komt naar me toe lopen met een bloemetjesjurkje aan en haar camera balancerend tussen haar handpalmen. Vandaag is haar rode haar in een rommelig knotje omhoog gewerkt.
   ‘Wat sta je daar nou te grijnzen,’ snauw ik, maar kan een glimlach niet onderdrukken.
   Hierdoor wordt haar glimlach alleen maar breder, tot het punt waarop ik haar parelwitte tanden kan zien. ‘Sorry,’ zegt ze, ‘zullen we naar binnen gaan?’
   ‘Oké,’ zeg ik en verstevig de grip op mijn dierbare camera, hopend dat ik er misschien wat geluk uit kan persen.
   We lopen over het grindpad dat door een weelderige tuin naar de ingang van het betonnen gebouw leidt. Als we binnenkomen, zitten er al drie mensen in een kring van blauwe, plastic stoelen. Marcel, de clubleider, heeft voor aanvangstijd een paar dampende glazen thee gezet. Ik pak er één en ga tussen Anna en een ander meisje in zitten.
   Wacht.
   Dat andere meisje heeft lichtbruin haar, tatoeages en onmisbaar grijze ogen. Ze gaapt me aan met een uitdagende grijns en bijt zachtjes op haar lippiercing.
   Ik weet het zeker. Dit is het meisje waarvan ik ineens foto’s bezit.
   Ik moet mezelf dwingen rustig te denken en niet meteen radicaal in actie te komen, omdat ik mijn omgeving inclusief haar waarschijnlijk zal afschrikken. Misschien moet ik er maar niet om heen blijven draaien. Als ze de foto’s zelf op mijn camera heeft gezet, sta ik juist voor schut als ik er niks van zeg. Dus ik zet mijn thee iets te hard neer op de blauwe, plastic salontafel, wend me naar haar toe en kijk haar onderzoekend aan. Het is maar een meisje, maak ik mezelf wijs, ze zal heus niet mijn hele leven verpesten als ik iets verkeerds zeg.
   ‘Dus,’ zeg ik.
   ‘Dus?’ zegt ze ietwat verward terug.
   Ik adem een flinke teug lucht in en zeg, ‘ik heb ineens foto’s van jou op mijn camera.’
   Ze trekt haar gepiercete wenkbrauw op. ‘Echt waar, joh?’
   Shit.
   ‘Ja, echt waar,’ ga ik zo rustig mogelijk verder. ‘Want weet je, ik was gister met mijn vriendin Anna hier naar een veld toe voor een fotosessie. Al die foto’s zijn ineens foetsie en ik heb alleen nog maar foto’s van jou.’
   Anna roert nietsvermoedend haar thee. Een raar ticje, aangezien ze haar thee standaard met niks drinkt.
   Het meisje kijkt verontwaardigd, dicht tegen boos aan. ‘Ik weet niet hoe die foto’s op jouw camera terecht zijn gekomen, maar ik heb dat ding niet aangeraakt. Mag ik die foto’s eens zien?’
   Ik laat haar de foto’s zien en kruis mijn vingers dat niemand dit gesprek meeluistert. Wat zullen ze wel niet van me denken?
   ‘Dat ben ik,’ zegt ze, ‘dat zijn mijn tatoeages, mijn ogen, mijn haren, maar ik kan me niet herinneren dat ik gefotografeerd ben in zo’n bizarre omgeving. En je weet heel zeker dat je me niet gewoon hebt lopen volgen?’ Ze grijnst vals.
   Ik voel woede in me opborrelen. ‘Ja,’ zeg ik knarsetandend, ‘dat weet ik heel zeker.’
   ‘Tuurlijk,’ zegt ze.
   Voordat ik iets terug kan kaatsen, komt Marcel vanuit de wc de kamer binnen. Hij draagt een gek, tropisch overhemd bovenop een gescheurde broek en badslippers. Zijn grijze haar piekt wild alle kanten op en zijn grote, sceptische ogen schitteren enthousiast. ‘Vandaag gaan we op excursie,’ kondigt hij vrolijk aan.
   Er klinken gemengde kreten vanuit het kleine gezelschap.
   ‘Nee, hè.’
   ‘Waarheen?’
   ‘Tof!’
   Het getatoeëerde meisje grijnst uitdagend.
   ‘We gaan naar de zee,’ schreeuwt hij uit. Hij gooit zijn harige armen met een witte glimlach de lucht in.
   Nog steeds met verschillende meningen staat iedereen op en volgt Marcel de deur uit.
   Er staat een grote bus met de tekst ‘een bezoekje aan de hunebedden is keigoed,’ voor het hek geparkeerd. We stappen in. Zoals gewoonlijk ga ik naast Anna zitten. Het enge en nog steeds naamloze meisje gaat aan de andere kant van het gangpad zitten. Er zit slechts zeventig centimeter tussen ons in.
   ‘Ik vind het zo spannend!’ roept Anna en schiet snel een foto van het betonnen gebouw dat we zojuist hebben verlaten.
   ‘Hey, stalker,’ sist het meisje en knijpt haar sluwe ogen samen, ‘heb je niet genoeg lol met je vriendinnetje dat haar hart zo tekeer gaat bij een bezoekje aan het strand?’
   Beschermend leg ik mijn handen op Anna’s schouders. ‘Hey, jij… wie je ook bent,’ snauw ik, ‘ze is mijn vriendinnetje niet en we hebben meer dan genoeg lol.’
   ‘Jij hebt geen idee over wat voor soort lol ik het hier heb,’ grinnikt de brunette.
   ‘Silver, laat haar maar. Ze heeft het over smerige lol.’ Anna kijkt me bezorgd aan.
   En dan word ik woedend. Door dit rare meisje kom ik over als een preutse loser en Anna trapt er nog in ook. ‘Ik kan niet geloven dat je dat zegt, Anna,’ zeg ik teleurgesteld.
   ‘Ik heb niks verkeerd gedaan,’ zegt ze met betraande ogen en leunt haar hoofd tegen het licht doorlatende raam aan.
   ‘Ik heet Mave,’ zegt het meisje aan de andere kant en leunt over de armleuning heen. ‘En jij heet dus Silver?’
   ‘Ja,’ kaats ik nors terug.
   De rest van de heenreis heerst er een gespannen sfeer. Mave grijnst en sluit zich af met haar koptelefoon. Anna is boos. Ik ben teleurgesteld.

We stappen na een onbepaalde tijd uit en lopen door de kokend hete zon naar het strand. De zee is helder, maar ik zie niet helemaal in waarom deze plaats is uitgekozen. Het strand van Tenerife zou geschikt zijn om een paar mooie foto’s te schieten. De Noordzee is simpelweg te vervuild.
   De zee is onrustig. Terwijl we de schuimende kust naderen, stoot Mave steeds “per ongeluk” tegen mij aan, waardoor ik Anna aanstoot, waardoor zij me nijdig aan kijkt en de weggeëbde spanning weer terug keert.
   Ik vind al snel een plekje waar ik een paar foto’s wil maken omdat er veel elementen spelen. Het water, de kustlijn, het eiland in de verte, de overgang tussen water en lucht en de zon, hoog aan de lucht en verborgen achter een paar wolkjes.
   Na een halfuur lang foto’s te hebben gemaakt, slenter ik naar mijn snel weggeworpen tas. Daarin zit een trommel met twee broodjes kiwi, waarvan ik ze eenmalig allebei kan opeten. Hoeveel keren zullen er nog volgen?
   Mijn etende beweging bevriest als het broodje net mijn lippen raakt, door Mave die haar nagels in mijn nekvel zet. Haar volle lippen zitten zo’n tien centimeter van mijn oor af, waarna ze onder haar adem zegt, ‘kom mee.’
   Ik protesteer, maar ze grijpt mijn oor beet en krijgt me op die manier overeind.
   Ze maakt een vals, sissend geluid dat verrassend veel overeenkomt met het gesis van een slang. Hoeveel ik ook protesteer, ze laat me niet gaan. Haar grip wordt juist alleen maar steviger.
   Zodra we Anna passeren, doet die haar best er ongeïnteresseerd uit te zien. Ik zie echter haar wanhoop en de honger waaraan ze lijdt na haar gebrek aan een kiwibroodje.
   Niemand komt in actie als Mave me met kleren en al in het koude water werpt. Een koude rilling schiet langs m’n ruggengraat. Ik bibber en spartel tegen, maar het water sluit me op in zijn ijskoude omhelzing.
   Ik verdrink. Ik weet bijna zeker dat ik verdrink. Misschien is het gewoon de combinatie van het hopeloosheidsgevoel en het water, maar in dat geval verdrink ik mentaal. Vanuit de losse beelden die om me heen schieten zie ik Mave het water instappen. Haar grijze ogen zijn indringend en meedogenloos. Ik hoor korte fragmenten van luidkeels gegil, maar er is niemand die me daadwerkelijk te hulp schiet.
   En dan hoor ik de inmiddels onaangename, schorre kreet van Mave. Ze roept duidelijk woorden, ik kan alleen niet onderscheiden welke. Misschien zit er al geen zuurstof meer in m’n hoofd. Dan val ik zo flauw en is alles voorbij.
   Langzaam ontstaan er zwarte vlekken in m’n zicht.
   Vlak voordat ik m’n ogen voor altijd sluit, hoor ik iemand iets onvergetelijks roepen. ‘Orkaan!’

Reacties toegestaan :)

    
  
  

Fray
Karaoke-ster



2

Hoewel mijn gedachtes niet op een rijtje lijken te komen en mijn hoofd bonkt als een bezetene, heb ik niet langer het gevoel dat ik verdrink. Het feit dat ik niet langer nat ben en bibber van de kou bevestigt dat. Ik krijg mijn ogen moeizaam open en schrik op als ik merk dat ik omringd ben door een marineblauwe kleur. Mijn hart komt langzaam tot rust als ik me besef dat de kleur die van een leren passagiersstoel is.
   Ik zit dus in een bus die stevig wordt gehouden door houten balken en gevuld wordt door marineblauwe stoelen.
   En ik heb het overleefd.
   Een onheilspellende schaduw werpt zich over me heen. Ik duik uit aangeleerd reflex weg, waarna er een spottend, krassend lachje klinkt. Woedend draai ik me om en zit vervolgens opgescheept met het niet zo zeer plezante aanzicht van Mave’s silhouet dat langzaam opgevuld wordt met kleuren en schaduwen.
   Haar grijze ogen kijken me uitdagend aan, alsof ze elk moment uit hun oogkassen kunnen springen en me levend op zullen peuzelen. Een paar bruine plukken zijn uit haar rommelige staart gesprongen en krullen langs haar bolle wangen, helemaal tot aan haar puntige kin. ‘Goedemorgen,’ grinnikt ze en trekt haar mondhoek vals omhoog.
   Alle woorden zijn me ontschoten en ik kan haar alleen nog maar onwetend aankijken. Als ik kon communiceren met beelden, zou ik haar alles laten zien wat ik had meegemaakt, vanaf het moment waarop ze me het water in duwde tot het moment waarop ik verdronk en het overleefde. Maar waarschijnlijk heeft zij alles vanuit een nóg scherper perspectief meegemaakt.
   ‘Ben je je tong verloren, of zo?’ vraagt ze, me nog steeds aangapend met die grijns die haar regelrecht vanuit de hel is komen bezoeken.
   ‘Nee,’ zeg ik. ‘Ben jij soms je vaardigheid om schrander na te denken verloren?’
   Haar grijns vervaagt en ik kan het opgeluchte gevoel dat ik daardoor krijg niet verhelpen. Dat zelfde gevoel verdwijnt al rap als er in plaats van een grijns een frons op haar gezicht verschijnt. Haar wenkbrauwpiercing puilt op rare wijze vooruit en ze tuit haar lippen naar links. ‘Ik zou het ook anders hebben gewild, ja? Ik doe dit niet voor mijn lol!’
   ‘Als je hier niet wilt zijn, rot dan gewoon op,’ zeg ik langzaam en duidelijk, zodat elk woord goed doordringt.
   ‘Dat kan ik niet,’ zegt ze, ‘je zou het hier geen dag overleven zonder mij.’
   ‘Hier,’ boots ik haar na, het feit negerend dat ze me niet dood wil hebben. ‘Waar zijn we eigenlijk?’
   En de helsgrijns is weer terug. ‘In een bus, dombo.’
   ‘Zo ver kwam ik ook wel,’ antwoord ik droog terug en schud wat verdwaalde lokken uit mijn gezicht. ‘Maar waar rijdt deze bus precies?’
   ‘Bewaar je vragen voor later, groentje.’
   ‘Maar…’
   ‘Ik zei,’ onderbreekt ze me, ‘dat je je vragen voor later moet bewaren. Wat snap je daar niet aan?’
   Ik klem mijn lippen stevig op elkaar en werp een blik op de voorbij razende buitenwereld. Eerst lijkt alles vrij normaal. Een natuurgebied met een paar omhoog draaiende bomen, struiken die uitzonderlijk wild ogen en kleine vogeltjes die rond de bomen heen vliegen. Maar zodra de lichtvlekken langs mijn zicht vervagen, zie ik alles anders.
   De grond waarin op verschillende plekken een krater te vinden is, lijkt net bewerkt te zijn met paarse verfbussen. Over deze grond heen zweeft een mistlaag, zichzelf voortkruipend tussen de bomen door en over de paden – afgebakend met droge takken – heen.
   Ik zag al vanaf het begin dat de bomen niet de meest gewone eikenbomen of populieren waren, maar nu lijken ze net in talloos veel verschillende dimensies om elkaar heen te draaien totdat ze de sterrenkoepel raken met hun hoogste toppen.
   De wilde struiken zijn stuk voor stuk in de meest bizarre, galactische kleuren over het gebied verspreid. Hun bladeren bewegen door de mist heen en geven dauwdruppels ter grote van kleine steentjes af.
   En de zogenaamde vogels lijken in verre niet meer op vogels. De enige gelijkenissen zijn de lengte en vleugels, waarvan ze bij deze wezens nota bene doorzichtig zijn. Er razen er een paar van om de bus heen, maar alles gaat te snel voorbij om ze uitgebreid te analyseren.
   Ik heb mezelf aangeleerd om bij de mooiste uitzichten naar mijn camera te grijpen, die gelukkig nog om mijn nek blijkt te hangen. Ik grijp ernaar en druk de lens voorzichtig tegen het raam aan, maar wordt tegengehouden door Mave’s ferme grip op mijn pols.
   ‘Voorzichtig met dat ding,’ bijt Mave me toe en legt mijn handen terug in mijn schoot. ‘Je moet er niet zo mee lopen zwaaien.’
   Ik kijk haar giftig aan. ‘En hoezo dan niet?’
   ‘Bewaar je vragen voor later, groentje.’
   Voordat ik ontplof door kokende woede en haar kattenogen uit haar gezicht krab, besluit ik de rest van de gespannen busrit naar buiten te staren.
   Het galactische bos wordt langzaam steeds realistischer en de bomen verschijnen steeds onregelmatiger langs het drempel pad waar de bus over heen sjeest. De wereld begint steeds meer op de onze te lijken. Het enige galactische wat permanent over ons lijkt te waken, is de mysterieuze sterrenkoepel, bestaand uit de meest schitterende sterren. Hoewel de camera nog steeds tegen mijn hart aan rust, heeft hij nog nooit zó ver weg geleken. Ik hoop dat mijn hard dusdanig hard zal kloppen, dat hij uit mijn huid scheurt en naar de aan-knop van mijn camera weet te reiken. Ik hoop het echt.
   Ik merk dat we door de buitenste ringen van een stad beginnen te rijden. We sjezen over een echte weg en er staan hier en daar een paar kleine huizen langs, gebouwd met houten planken en beton. Voor elk huis staat een kleiner, betonnen huisje waar steeds een deur en een klein raampje in zit. Je zou niet denken dat dit de aarde niet is, op de kleine vogelachtige wezens die hier nog steeds voorkomen na. Gewoon een simpele stad gehuld in de duisternis van de nacht. Maar het bos waar we net doorheen reden, is duidelijk geen onderdeel van de aarde zoals ik die ken. Als dit de aarde niet is, wat dan wel?
   Bewaar je vragen voor later, groentje. Mave’s woorden galmen door mijn hoofd en ik moet mijn best doen haar niet ter plekke aan te vallen. Soms maakt denken aan haar alleen al me boos genoeg om de hele grond te willen verschuilen onder een laag legostenen. Hoe moet ik me dan zien te gedragen als ik haar daadwerkelijk kan zien en aanraken?
   Dan gebeurt er iets vreemd. Eerst zie ik vanuit mijn ooghoek een klein blokje in de verte; een losstaande muur die nergens voor lijkt te dienen. Terwijl we er steeds dichter naartoe rijden, begint de bus meer vaart te maken. We worden door alle hobbels door elkaar geschud en ik knal twee keer pijnlijk hard tegen het venster aan. Het lijkt net alsof de remmen stuk zijn en het rare gevoel onderin mijn maag bevestigt dat voorgevoel.
   Wat daarna gebeurt lijkt wel nóg vreemder dan dat te zijn. Mave’s ogen worden net schoteltjes en ze grijpt naar mijn hand, die ik snel terug trek. En dan zie ik iets raars aan haar gezicht. Het lijkt wel… schaamte.
   Maar ik kan daar niet langer aan denken. De muur is nu het onvermijdelijkste wat ik wil vermijden. We gaan er straks allemaal aan. Mijn handen schieten naar boven om mijn hoofd te beschermen en ik duik in elkaar. Ik knijp mijn ogen zo hard mogelijk dicht om alles te verbannen.
   Het is niet echt. Het is niet echt.
   Terwijl ik inmiddels dood hoor te zijn, leef ik. Ik voel mijn hart nog stevig kloppen en ik adem. Er klinkt geen knal of ander onverdraaglijk geluid om de dood van drie mensen – Mave, mij en een naamloze chauffeuse – aan te kondigen.
   En dan vliegt er een koel briesje langs mijn gezicht.
   Ik durf mijn ogen open te doen en kijk verwilderd om me heen. De bus is verdwenen, besef ik me. Niet verwoest, geen brokken kunststof als as onder mijn versleten schoenzolen. Gewoon in het niet verdwenen. Niks is er van over gebleven, behalve de chauffeuse die zich terug trekt in de schaduwen.
   Ik kijk naar mijn handen waar geen schaafwond te bekennen is. Ik kijk naar Mave en zie dat ze prima in orde is.
   ‘Mag ik nu dan een vraag stellen?’ vraag ik, nog buiten adem van de schok. ‘Wat moest dat in hemelsnaam voorstellen?’
   Mave grijnst geamuseerd – ik vraag me af of ze ooit een dag niet geamuseerd heeft gegrijnsd – , staat op en veegt het stof van haar leren jasje af. Haar haren zitten ondanks de ‘botsing’ nog steeds perfect in haar rommelige staart. ‘Dat was dus wat wij een Altisbus noemen. In sommige gebieden wordt het ook wel de eenmalige bus genoemd.’
   Ik wacht op verdere uitleg, maar die komt niet vanzelf, dus ik schudt haar wakker met een stomp op haar schouder.
   Ze grimast, maar toont geen pijn. ‘Wil je ook nog weten wat een Altisbus inhoudt? Ik zei toch dat je je vragen voor later moet bewaren.’
   Ik kijk haar wrevelig aan.
   ‘Oké,’ zegt ze, ‘deze geef ik je. Altis – de grond waar we ons op bevinden – is dus een wereld waar wonderkinderen worden heen gehaald en opgeslagen. Doormiddel van de Altisbussen ga je vanaf een doorgangspunt tussen aarde en Altis naar deze betoverde muur. We gebruiken daarvoor eenmalige bussen die je tegen de muur aan moet knallen in plaats van te parkeren, omdat die bussen heel veel goedkoper zijn dan aardse bussen en er toch niet zoveel wonderkinderen vanaf aarde naar Altis worden gehaald. De muur is dusdanig betoverd, dat de passagiers er zonder schrammetje vanaf zullen komen en de bus verdwijnt. Zo komt het uiteindelijk goedkoper uit.’ Ze kijkt onverschillig naar haar droge nagelbedden, alsof ze niet zojuist mijn hele leven op de kop heeft gezet met een paar woorden.
   ‘Wonderkinderen?’ stamel ik en kijk haar met grote ogen aan.
   ‘Mensen met een speciale aanleg voor iets, in jouw geval bijvoorbeeld fotografie,’ verzucht ze. ‘Niet dat jij een wonderkind bent. We hebben jou hierheen gehaald voor een andere reden.’
   Ik weet niet of ik me beledigd of uniek moet voelen. Verward schud ik m’n hoofd. ‘Als ik geen wonderkind ben, wat doe ik hier dan? En waarom slaan jullie wonderkinderen hier op?’
   ‘Dat leg ik je binnen nu en een uur allemaal uit. Kom mee.’ Ze kijkt op van haar nagels en lijkt voor de eerste keer daadwerkelijk interesse te hebben in het verhelpen van mijn verwarring en schok. Maar als ze vervolgens weer grijnst, besef ik me twee dingen. Ten eerste besef ik me dat ik haar behulpzaamheid heb verbeeld. Ten tweede besef ik me dat ik in een wereld terecht ben gekomen waar mensen boeken over schrijven en films over kijken. Het enige verschil is dat dit de keiharde realiteit is.

We lopen door de stad heen. Ik stel een paar vragen aan Mave, maar ze wendt ze allemaal af en mompelt dat ze die allemaal op hun tijd gaat beantwoorden. Intussen begint mijn maag zichzelf in een knoop te leggen en heb ik me nog nooit zo onwetend gevoeld.
   Ik kijk wat rond en zie mensen met verschillende voorwerpen in hun doelgerichte handen van her naar der rennen. Iedereen lijkt bezig te zijn met een bepaalde hobby. Ik denk dat ik door begin te krijgen wat Mave met wonderkinderen bedoelt.
   Het meest geïnteresseerd ben ik in die rare elfjesachtige figuren die overal rond vliegen. Totdat ik weet wat ze precies zijn, sla ik ze voor de zekerheid van me af. Ik denk niet dat Mave me zou waarschuwen als ze extreem giftig zouden zijn, dus ik neem het zekere voor het onzekere.
   Sommige mensen stoppen met wat ze aan het doen zijn en kijken me doordringend aan, alsof ze me persoonlijk kennen of ergens op een vermist poster hebben gezien. Ik voel alle blikken over me heen lopen als duizend kleine insecten, maar doe m’n best het te negeren.
   Het nachtlicht werkt goed op Mave. Ze ziet er dan wel bedreigender uit, maar het licht laat haar jukbeenderen mooier uitkomen. Ook al ben ik een jongen en hoor ik niet zoveel om gelaatstrekken te geven, ik ben nog steeds een jongen met fotograafogen en ben genoodzaakt op zulke details te letten.
   Het leven draait eigenlijk alleen maar om de details. Kleine oorzaken leiden tot grote gevolgen, zei mijn oma altijd. Het kostte me tot het einde van haar leven om te beseffen dat ze gelijk had.
   We komen tot stilstand voor een gebouw dat met zijn marmeren pilaren opvalt in een redelijk futuristische omgeving. Hoewel het contrast gek oogt, lijkt het alsnog of dit gebouw er zo hoort te staan. Alsof de hele stad hier omheen leeft en er om streeft dit gebouw te verheerlijken.
   ‘Wauw,’ stamelt Mave. ‘Ik woon in deze stad en alsnog weet deze tempel me elke keer als ik hier langskom met zijn schoonheid te verbazen.’
   ‘Tempel?’ Ik haal verrast mijn wenkbrauwen op.
   Mave kijkt me veelbelovend aan. ‘Heb je ooit van Ruce Pearson gehoord?’
   ‘Tuurlijk!’ roep ik meteen. Altijd als het onderwerp Ruce Pearson aan bod komt, ben ik gelijk alert. ‘Hij is mijn grote voorbeeld!’ En dan besef ik me dat dit een wereld is waar wonderkinderen naar toe worden gehaald. Ruce Pearson valt zeker onder de categorie wonderkinderen. ‘Hij is niet echt dood gegaan aan een drugsoverdosis hè? Jullie hebben hem afgenomen van de aarde waar hij thuis hoorde. Waar hij familie en een vrouw had.’ Mijn stem klinkt al een stuk minder enthousiast.
   Er knapt zichtbaar iets in Mave. Haar grijns verdwijnt net zo snel als het kapot spatten van een ballon. Ze klemt haar tanden op elkaar en lijkt zich in elke positie mogelijk oncomfortabel te voelen. ‘Niet helemaal,’ zegt ze zacht en gaat op één van de traptreden naar de tempel zitten. ‘Ruce Person was volgens veel mensen je opa. Hij heeft er voor gezorgd dat het mogelijk is om wonderkinderen hierheen te verplaatsen. Met die camera,’ – ze wijst naar de gouden camera die loyaal aan de felgele band om mijn nek hangt – ‘en slecht een zakdoek en wat lucifers op zak, is hij de wereld afgereisd om doorgangspunten tussen Altis en de aarde te flitsen. Niemand weet precies hoe het is gegaan, alleen dat het is gebeurd.’
   Ik ga naast haar zitten en rommel wat met mijn handen in mijn zakken, niet wetend wat ik met al deze informatie aan moet. Mijn grootste idool… familie… het is allemaal te onwerkelijk en alsnog geloof ik elk woord.
   ‘In deze tempel worden de paar wonderkinderen die hier elk jaar komen met een grote ceremonie ontvangen, maar omdat jij dus geen wonderkind bent, heb je geen recht op een officiële ceremonie.’ Ze grijpt naar een tak en doedelt er wat willekeurige dingen mee in het vochtige zand.
   Dit deel snap ik nog niet helemaal. ‘Wat doe ik hier als ik geen wonderkind ben?’ Ik kijk teleurgesteld naar de camera. Na al die jaren oefenen en maar denken dat ik goed ben, heb ik dus niet genoeg potentie… geen aanleg. En ik ben tegelijkertijd de kleinzoon van misschien wel de grootste fotograaf in de geschiedenis.
   ‘Daar wilde ik het hier met je over hebben,’ zegt Mave, staat op en strekt haar lange vingers naar me uit om mij ook overeind te helpen. ‘Kom mee.’
   We lopen over een dun grindpadje om de tempel heen, naar de achterkant die voor een groot deel verborgen is achter een paar van die multidimensionale bomen.
   En als Mave één van de takken aan de kant duwt, staat me een grote schok te wachten.
  
  
  
  
    


   

Fray
Karaoke-ster



3

Ik heb mezelf al een tijd lang niet meer op die manier gezien.
   De neiging om mijn handen ernaar uit te reiken is groot, maar ik heb geen idee wat het inhoudt en hoe het er is gekomen. Misschien zal het me kwaad doen. Misschien is het een soort voorschaduwing dat ik mijn eigen grootste vijand ben.
   Een portret. Van mij. Op de achterkant van een tempel, verscholen achter een paar verdwaalde takken. Ik herken mijn eigen verwarde ogen en het warrige hoopje zwarte haren bovenop mijn hoekige gezicht. Het beschaduwde kuiltje in mijn kin. Dit ben ik.
   ‘Hoe komt dit hier?’ vraag ik dromerig.
   Het lijkt net alsof Mave oogcontact ontwijkt. Nerveus staart ze naar de stenen onder haar gelaarsde voeten. ‘Jij bent Silver Reese,’ zegt ze onderdanig, ‘de uitverkorene om nieuwe doorgangspunten te creëren.’ Ze landt nog net niet op haar knieën.
   Ik probeer de woorden zo rustig mogelijk in me op te nemen. Uitverkoren. Het klinkt zo plechtig en belangrijk. Ben ik dat waard? Ik ben slechts een jongen met een wanhopige hobby en een niet feilloos lopende zelfontwikkeling.
   Ik houd mijn mond en wacht met ingehouden adem op verdere uitleg.
   ‘Je ogen lijken net kleine planeetjes,’ grapt Mave, wie me ondertussen niet onderdanig meer aan kijkt. Ze gooit haar haren nonchalant naar achter.
   Ik laat mijn adem nog aldoor niet los.
   Mave slaakt een diepe zucht. Ze kijkt me aan alsof ze begrijpt dat ik meer wil weten over het verhaal dat zich afspeelde voor mijn geboorte. ‘Ruce Pearson heeft ons verlaten. Er hebben zich daarna verhalen verspreid dat hij dood zou zijn of de gedaante van iemand anders zou hebben aangenomen. Ik denk dat hij nog over ons waakt als een soort god.’
   ‘Wauw.’
   ‘Ja,’ gaat Mave verder. ‘Maar voordat hij ons verliet, was de bevolking van Altis zwaar aan het verdunnen. Er moesten meer doorgangspunten komen. Meer manieren om wonderkinderen hierheen te vervoeren. Dus hij heeft een tekening gemaakt van degene die in zijn ogen het werk moest doen. Dat is dus deze tekening. Zijn vrouw – waarschijnlijk jouw oma – heeft de goudcamera aan jou doorgegeven. De sleutel om de flitsstand te activeren waarmee je de doorgangspunten kunt flitsen is echter al heel lang kwijt.’
   ‘Wauw,’ zeg ik weer. Ik ben overweldigd door alle nieuwe informatie en weet dat er nog zoveel is dat ik niet weet. Zal ik ooit het gevoel krijgen dat ik hier thuishoor? ‘Ik snap nog niet helemaal waarom jullie de meest getalenteerde mensen hierheen halen.’
   ‘Men heeft de aarde in een vervuilde staat gebracht die zo goed als onherstelbaar is. Ruce Pearson dacht niet dat de wereld nog lang stand zou houden en toen sprak de Draakmaagd tot hem. Ze gaf hem de camera en zei dat hij de veelbelovendste mensen naar een andere plek moest brengen, om deze wonderkinderen te sparen en later terug te sturen zodat de overlevenden geholpen kunnen worden.’ Ze leunt tijdens het vertellen beurtelings van het ene been op het andere.
   ‘De Draakmaagd?’ Ik kijk haar vragend aan en probeer me niet te ergeren aan haar nerveus makende gewiebel.
   Vals grijnzend wrijft ze haar handen over elkaar. ‘Je zult nog wel met haar te maken krijgen. Iedereen in Altis krijgt ooit wel eens met haar te maken. Nog meer vragen?’
   ‘Ja, ik vroeg me af wat…’
   Ik kan mijn zin niet afmaken, omdat er een klein modelvliegtuig recht op mijn neusbrug afvliegt. Het ding produceert een zoemgeluid dat steeds dichterbij lijkt te komen. Mijn instinct werkt me net op tijd op de grond, waar ik mijn hoofd met trillende handen bescherm. Een metaalachtige smaak vult vastberaden mijn mond.
   Als ik na een paar bloedstollende seconden mijn hoofd een paar centimeter van de grond afkrijg, komt het gelijk weer op me af. Ik zie nog net dat het ding twee vibrerende vleugels heeft, voordat ik mijn gezicht weer de aarde in duw. Het herrie schoppende ding vliegt binnen een fractie van een seconde over me heen.
   Ik denk niet na, maar weet gelijk dat dit het moment is om op te staan voordat het feeachtige wezen Mave wat aan doet. Mave kan zichzelf prima redden en met name in deze wereld, dat weet ik. Alsnog is er iets in mij dat voor haar wil zorgen.
   Er is voor mij in deze fase van verwarring één ding zeker. Er mag haar absoluut niks overkomen.
   Ik weet niet of het komt doordat zij de enige is die me hier levend door heen kan slepen. Misschien geef ik wel om haar. Er zijn niet veel meisjes zoals Mave. Ze is bijzonder. Anders dan Anna, maar bijzonder. En het beest vliegt nu recht op haar af.
   Ik neem geen tijd om te ademen – elke seconde telt immers – en stort mezelf met gestrekte ellebogen op Mave’s benen.
   Ze gilt. Haar vuile laarzen schrapen over de grens tussen grind en aarde in. Tuimelend beweegt ze haar armen door de sponsachtige lucht, grijpend naar het laatste beetje balans dat er te redden valt, voordat ze met een ploffend geluid de grond raakt. Haar afgekloven nagels begraven zich in mijn lijkwitte armen, waardoor ze mij met zich mee naar beneden trekt. ‘Silver!’ roept ze.
   Ik begraaf mijn gezicht in mijn bezwete schouder, bang voor een woede-uitbarsting of reeks schreeuwen die me te wachten staat. ‘Sorry,’ snik ik.
   ‘Dank je,’ ademt ze uit, ‘je hebt me gered.’ Ik vang een glimp van een scheve glimlach op. Al snel verstrakt haar blik weer en duwt ze me hard van zich af. ‘Kom hier jij klein mormel!’ gilt ze en stormt met zwaaiende armen op het wezen af.
   Het ding draait piepend om haar hoofd heen en laat een spoor van glitters in de lucht achter. Nog aldoor beweegt het te snel heen en weer, waardoor ik niet kan zien hoe het er precies uitziet.
   ‘Geniet van je laatste adem,’ roept Mave. Er pruttelt een luide grom uit haar keel. Maar zodra ze haar gesloten vuist op de kleine lastpak werpt, ondermijnt het haar actie en klemt zichzelf om haar vinger heen. Mave slaakt een gil, alsof een exotisch insect haar gebeten heeft, en plet het ding tussen twee vuisten. ‘Hij heeft me gebeten,’ snauwt ze en schopt woedend een steentje weg.
   Met luid bonkend hart snel ik naar haar toe en vang haar op als ze verslagen naar de grond zakt. ‘Laat eens zien,’ zeg ik en pak haar pols stevig vast, waardoor mijn vingers witte afdrukken in haar sproetjeshuid achterlaten.
   Ik draai haar hand rond in de mijne en tik met twee vingers het kleine kwaaddoenertje van haar handpalm af. Het gevleugelde beest belandt ergens tegen een boomwortel aan, met twee armen over zijn belachelijk menselijke lichaam geslagen. Op zijn hoofd bevindt zich een zielig feesthoedje, dat vastzit en verzekerd wordt door twee draadjes die samenkomen onder zijn behaarde kin. Zijn puntige neus zit onder de glitters, net zoals de vodden die gescheurd om zijn tengere lichaam heen hangen. ‘Wat is dat?’ vraag ik met opengevallen mond.
   ‘Een Trax,’ legt Mave uit, ‘een wezen dat dient om het leven van de wonderkinderen gemakkelijker te maken. Er zijn echter ook sluwe Traxes, en zo te zien is dit zo’n rotgevalletje. Hij heeft ons immers aangevallen en mij gebeten.’ Ze port het vogelachtige wezen met de neus van haar laars. ‘En nu is hij gelukkig dood.’
   ‘En wat doet een Traxbeet? Denk je dat je het zult overleven?’ Ik bibber bij de gedachte dat zo’n klein ding kostbare mensen van hun kostbare levens kan beroven.
   Mave kijkt me aan alsof ze me voor gek verklaart en haalt wat bezwete slierten haar uit haar gezicht. ‘Nee joh,’ zegt ze, ‘maar schattig dat je dat denkt.’ Ze staat rustig op.
   Ik laat haar pols niet los en onderzoek haar vingers, zoekend naar een klein rood stipje dat zo’n klein beest zou kunnen hebben veroorzaakt. In plaats daarvan vind ik tussen haar wijsvinger en middelvinger in een gapende wond waar klonterig, paars bloed uit sijpelt. ‘En je weet zeker dat dit niet levensgevaarlijk is?’ vraag ik met ogen zo groot als schoteltjes.
   ‘Ik ga er niet dood aan, maar het heeft wel andere bijwerkingen.’ Ze bijt aarzelend op haar lip om de woorden die er aan zitten te komen niet in één keer uit te spugen.
   ‘Zoals?’
   ‘Ik ben geen wonderkind,’ zegt ze met een serieuze blik in haar ogen. ‘Mijn ouders waren allebei wonderkinderen, maar het gebeurt soms dat het nageslacht van de wonderkinderen niet zo getalenteerd is. Om ons alsnog een plaats in de maatschappij te geven, hebben ze een paar klusjes voor ons bedacht die Traxes niet of niet alleen kunnen doen.’
   ‘Oké,’ zeg ik en wacht op verdere uitleg, nog bijkomend van de steek die ik na het woord “ouders” in mijn hart voelde.
   Mave schraapt met een hard geluid haar keel en gaat verder. ‘Eén van die klusjes is het transporteren van wonderkinderen naar deze wereld, de taak van een Jatora. Om deze nieuwelingen welkom te heten, moeten we ze ook rondleiden door de wereld en hun bijstaan tijdens de ceremonie waarmee ze gewoonlijk ontvangen worden. Echter, ontvang je als Jatora de ziekte van Crator die sluwe Traxes verspreiden, zijn de doorgangspunten ontoegankelijk en levensgevaarlijk. Er zit iets in het gif van een Traxbeet die er voor zorgt dat het normaal vloeiende proces dat zich in de doorgangspunten plaatsvindt, ineens heel stroef verloopt en zelfs tot de dood kan leiden.’
   Ik bestudeer de wond en kan me niet voorstellen dat zo’n gapend gat niet meer bijwerkingen heeft. ‘Is er een medicijn tegen?’ vraag ik.
   ‘Ja,’ zegt ze, ‘Brummerteer.’
   ‘En waar kun je dat halen?’
   ‘In de Droomtuin, maar we hebben geen tijd voor een tussenstop. Het ministerie heeft me bevolen je gelijk voor hun neus te slepen zodra ik je in Altis had gekregen.’ Met een teleurgestelde blik in haar ogen staart ze naar de grond onder haar, alsof die elk moment kan verdwijnen. ‘Alleen zal Crator permanent zijn mits het niet binnen vierentwintig uur wordt behandeld.’
   Ik kijk haar berouwvol aan. ‘Zelfs de minst vergevensgezinde mens op aarde zou je om die reden te vergeven als je te laat komt.’
   Haar wenkbrauwen verdwijnen bijna in haar haarlijn. ‘Dat is het hem nou juist,’ zegt ze breed grijnzend, ‘dit is de aarde niet.’
   ‘Kom op, zeg,’ verzucht ik. ‘We gaan nu onmiddellijk Brummerteer voor je halen voordat je je baan verliest.’
   Er verschijnt een klein lachje om haar lippen. ‘Je kunt soms best wel nuttig zijn,’ zegt ze en draait zich om, haar geurige haren naar achter zwaaiend.
   ‘En jij kunt soms best wel vervelend zijn,’ zeg ik binnensmonds, maar met een hele grote lach op mijn gezicht.

‘Wat wilde je eigenlijk vragen voordat dat afschuwelijke beest ons kwam bezoeken?’ vraagt Mave, zichzelf voorttrekkend doormiddel van wilde doorntakken die ons van alle kanten prikken.
   We lopen door een vochtig bos dat overspoeld is met scherpe planten. Boven ons laat het vervlochten bladerdeken slechts fracties van het maanlicht naar binnen. Mijn vingers jeuken om foto’s te schieten van de exotische planten en insecten die zich hier hebben gevestigd, maar Mave heeft nadrukkelijk gezegd om mijn camera te koesteren en niet voor “onzinnige” dingen te gebruiken.
   ‘Hoe kan het dat mijn vader het kind van Ruce Pearson is, maar dat hij zelf niet in Altis woont of er ooit iets over heeft gezegd?’ Ik trek gefrustreerd een felgekleurde, slijmerige slak van me af en wurm mezelf door de struiken om Mave’s veerkrachtige tred bij te houden.
   Er rolt een zucht over haar lippen. ‘Dat weet ik niet zeker. Het staat immers niet zwart op wit dat Ruce Pearson jouw opa is, het lijkt men alleen een logische verklaring.’ Ze grijpt naar een dikke, felgele rups in haar nek en gooit het kriebelige ding van zich af. ‘Er is echter een legende waarin wordt gezegd dat Ruce twee kinderen had, een zoon en een dochter. De dochter was een getalenteerd fotograaf en bracht haar leven door in Altis. De zoon had tot grote teleurstelling van Ruce niet genoeg potentie en werd een Jatora. Hij ging naar de aarde om een wonderkind te halen, maar werd verliefd op haar en besloot samen met haar op aarde te blijven; jouw vader en jouw moeder. Volgens bronnen leeft zijn dochter nog en is ze actief lid van de fotografievereniging die wij hier hebben. Ik wil haar alleen eerst zelf ontmoeten voordat ik dit domweg geloof.’
   ‘O, dus ik heb ook nog een tante waar ik niks van af weet.’
   ‘Er zijn zoveel dingen waar jij niets van af weet.’
   Daarna volgt een stilte waarin we niets anders doen dan insecten wegslaan en takken die ons de weg versperren aan de kant buigen.

Na ongeveer een uur te hebben gespendeerd in een weelderig bos dat uitmondt bij een mysterieus strand, laat ik mezelf uitgeput in het witte zand vallen. Ik wist niet dat het verschil tussen dag en nacht zo aanwezig zou zijn, aangezien er overdag al enkele sterren aan de pikdonkere lucht te zien waren. De nachtelijke hemel is echter een stuk intenser en mysterieuzer, alsof er een schatkist aan geheimen buiten ons zicht ligt. Ik rol me om en kom met een katachtige beweging overeind.
   Ik kijk naar Mave, wie verwilderd om zich heen kijkt. Haar grote ogen lijken nu nóg groter en boren hun weg door de sterrenkoepel, alsof ze er meer in kan zien dan ik. ‘Dit is ook mijn eerste keer dat ik hier ben,’ zegt ze.
   ‘Dat verklaart het gebrek aan één of andere Droomtuin waar jij het over had,’ zeg ik spottend en bekijk de omgeving die bestaat uit oneindig veel zand, water en een donkerpaarse sterrenhemel.
   ‘Vertrouw me,’ zegt ze zacht en begint te lopen. Voor ze me passeert, neem ik eerst de kokosnootgeur – die eerder aan haar glimmende huid kleefde – op.
   Ze gaat op verschillende plaatsen in het schitterende stand staan en kijkt omhoog, alsof ze haar locatie peilt doormiddel van de talloze sterren die geen logisch patroon volgen. Na de derde keer twinkelt er opeens iets in haar doffe ogen, alsof er een pak op haar schouders verdwijnt. Ze steekt haar hand doelgericht in het modderige zand.
   De eerste paar tellen kijk ik haar verward aan en vraag me af wat dat te betekenen had. Daarna zie ik opeens een klein puntje licht vanuit mijn ooghoek. Zodra ik me omdraai, is dit kleine lichtpuntje al veranderd in een gigantische explosie van wit licht dat vervormt en vanuit een vaste kern om zich heen lijkt te grijpen. Er ontstaat een windvlaag die ons naar achteren werpt, waardoor er lucht uit mijn longen wordt geperst. Het voelt aan als één of andere negende dood, maar dan niet zo vredig als je het zou verwachten. Vanuit het licht begint ineens iets te groeien. Ik kijk alleen maar met geopende mond toe.
    


   

Anoniem
YouTube-ster



Wil je er op letten dat je niet spamt?

In dit geval is het toch geen spammen? gezien ze haar verhaal gewoon plaatst, en het makelijker is om 1 hoofdstuk per bericht te doen :$ Of valt dat ook onder spammen
Plaats een reactie
Reageer
Om nieuwe berichten te laden: ingeschakeld