Een vleugje wind waaide de haren uit haar gezicht. Een meisje liep alleen door het bos, de bladeren waren al aan het verkleuren en vielen op de grond. Met een lichte rilling vanwege de kou die het zuchtje wind had meegebracht sloeg ze haar jas dichter om zich heen. Toch was het nog niet zo winderig als normaal, je zou denken net zoals Evana, dat het kwam door de bomen, dat die een groot gedeelte tegenhielden, dit zou ook zeker zo zijn geweest, maar er was iets kunstmatigs eraan. Iets waardoor je nog meer rillingen kreeg, maar wat was het. Een vluchtige blik naar links en rechts en er kwam een wat meer ontspannen uitdrukking op haar gezicht, er was niets te zien. Toch was er wel iets, iets volgde haar vlak langs de bosrand. Stug liep ze door, er kwam bijna nooit iemand in dit bos, er gingen verhalen de ronde waar ze niet aan wou denken. Steeds sneller liep Evana, maar het iets was al een stuk verder. Rennend kwam ze op een open plek terecht. Verder rennen. Niet nadenken. Nog een open plek. Hoewel deze er duidelijk anders uitzag. Er waren duidelijk bomen omgehakt en de bomen er omheen stonden dicht op elkaar, je zou er niet langs komen. Het was gewoon te dicht, maar er was nog iets anders aan deze open plek, aan de andere kant kun je niet verder, er was een groot hek. Toen ze dit ook leek te zien stopte ze. Achter haar was nu ook lawaai en met een ruk stond ze met haar blik naar het pad, maar ze kon niet meer terug. Er was een hek voor geplaatst en de man die ervoor gezorgd had draaide zich langzaam richting het meisje, hij droeg een keukenmes. Haar ogen keken nu naar de lucht en ze spreidde haar armen. De verhalen waren waar geweest, haar lichaam zou niet meer gevonden worden. Weer een meisje dat niet wou luisteren.