Develish schreef:
Alleen de gedachte eraan deed al pijnen oproepen uit het diepst van haar lichaam. Ze leken niet meer menselijk, maar waarschijnlijk had iedereen ze wel eens gevoeld, of moeten voelen. Een soort mengelmoes van haat, verdriet en onmacht. Niemand had het tegen kunnen houden, niemand had iets kunnen doen. Hij was op zijn knieën gevallen en had naar zijn hart gegrepen. Maar niets had gewerkt, de ambulance was te laat geweest. Nu zat Melody hier op de begrafenis van haar beste vriend. De tranen rolden langzaam over haar wangen, terwijl er geen woord meer over haar lippen wilde komen. Alles was te veel. Het zachte geruis van de bladeren aan de bomen. De gele narcissen, de muziek van Ed Sheeran die hij geweldig had gevonden. Alles samen zorgde voor een dramatische stop. Beelden kwamen op haar af, de beelden van vroeger toen ze samen nog zorgeloos in de regen konden spelen zonder dat iemand rare gedachtes kreeg. Het water spatte omhoog als ze een wedstrijdje met hun fietsen deden, zorgde ervoor dat ze doorweekt binnenkwamen , maar altijd met een glimlach op hun gezichten. Het voelde alsof haar leven beëindigd was, want wat moest je als je niemand had aan wie je alles kwijt kon? Jonathan had haar leven veranderd. Meerdere malen had ze bij hem uit kunnen huilen als ze gedumpt was, als ze grotere problemen had dan de slechte cijfers die ze kreeg. Voor haar was hij een broer geweest, zij voor hem een zusje dat hij met zijn leven beschermde. Het was een geweldige tijd geweest, die nu definitief voorbij was. Hij zou niet meer terug komen, maar zij zou verder moeten met haar leven. Het liefst ging ze naast hem liggen, zonder haar ogen opnieuw te openen. Ze wilde het zakken van de kist voelen, het zand dat er overheen werd gegooid. Haar leven zou ten einde zijn, maar ergens anders weer verdergaan. Soms was dit de gedachte die door haar hoofd heen spookte. De enige gedachte. ‘Waarom leven we nog? De dood is net zo goed.’ Dan stond ze daar, de brug, het water dat onder haar verder kolkte. Haar benen tintelden, terwijl ze haar ogen langzaam sloot. ‘Ik moet dit doen.’ De woorden werden uitgesproken met een soort van haat, haat jegens haarzelf. Alsof zij hier de reden van was. Maar nooit deed ze het, ze kon het gewoon niet. Er was altijd wel iets om voor verder te leven. Dit keer zag ze het niet zo in, dat een enkele situatie je pessimistisch kon maken.
Meer het begin van een groter geheel, maar heb je de rest bespaard hehe.