
Om mee te kunnen praten op het forum dien je ingelogd te zijn.Nog geen account? Klik hier om een gratis account aan te maken.
ORPG, gedichten en schrijvers < Virtual Popstar Eerste | Vorige | Pagina:
18
17
20
20
17Ook Dae wist echt niet meer wat te doen; hij zat daar maar, met zijn vingers in zijn haar verstrengeld. Vanbuiten leek hij geen reactie te tonen op zijn broeders vreemde, ongebruikelijke en zelfs een tikkeltje angstaanjagende gedrag, maar vanbinnen kon hij wel janken. Hij had zo onderhand wel eens genoeg gehad van die gevoelens en werd daarbij er weer aan herinnerd waarom hij ze had buitengesloten. Zonder gevoelens leven was ronduit simpel, veel simpeler dan dit gezeik, waar niet alleen hij last van had, zijn broer was er ook de dupe van. Als hij nou gewoon zijn mond had gehouden en door was gelopen, op zoek naar het mes, zouden ze hier niet zitten – en staan. Dan zou Daelerio over waarschijnlijk iets meer dan uur thuiskomen en meteen naar bed gaan, geen aandacht bestedend aan zijn gezin, en Aaron zou… hij zou datgene doen wat hij altijd ’s avond doet. Wat, wist Dae niet precies, hij was altijd ‘te druk’ – zoals hij het zelf altijd graag noemde, eigenlijk had hij gewoon geen zin om zich met zijn broers zaken te bemoeien – voor dat soort onzinnige zaken. Ergens verraste het Daelerio dat hij nog geen barstende koppijn had gekregen, normaal ging ook hij niet bijzonder goed met stress en irritaties om, al kon je wat dit ook was nou niet echt bepaald irritant noemen, het was vooral uitermate vermoeiend. Even schrok de oudere elf op uit zijn gedachten, toen Aaron op de tafel sloeg. Om welke tot nog toe onbekende reden dan ook, bleef Dae naar de plek waar de vuist van zijn broer terecht was gekomen staren, met een verbitterde uitdrukking nadenkend in de hatelijke en pijnlijke stilte, die weer over de twee was neergedaald. Hij kon zich niet voorstellen dat hij met die ene snauw – die niet eens zo bedoeld was – Aaron zo van z’n stuk had gebracht. De jongen was sterk, hij zou zich er normaal gesproken niets van aantrekken, maar natuurlijk kon het nu anders zijn. Dan nog, zo hatelijk klonk het nou ook weer niet, toch? Toen zijn twijfels een hoogtepunt bereikten, merkte hij niet dat Aaron al weg was gelopen; hij was, zoals zo vaak, te veel met zichzelf bezig. Zelfs terwijl hij zo veel over zijn eigen gebreken nadacht, kon hij niet op die ene simpele oplossing komen. Als hij nou gewoon iets meer interesse in zijn broer zou tonen, iets aardiger en begripvoller zou zijn en iets beter zijn best zou doen om een goed voorbeeld voor Aaron te zijn, een rolmodel, de broer waar hij tegenop zou kunnen kijken, in plaats van op neer. Toen Aaron aan de tafel kwam zitten, keek Daelerio weer even op en verplaatste zijn blik van het stuk oude, diep gegroefde stuk hout naar het uitdrukkingloze gezicht van zijn broer. Hij wendde zijn blik niet af, toen hij een slok nam van het water waarvan Dae zich niet kon herinneren dat het was ingeschonken, noch toen hij een diepe zucht slaakte. De manier waarop ze daar zaten, deed de oudere elf aan vroeger denken, nog voordat de mensen waren gekomen. Ook toen konden de jongens al niet al te best met elkaar opschieten, maar toen bleef het bij onschuldige, makkelijk op te lossen meningsverschillen, in plaats van de slopende oorlog die nu woedde, met Dae en zijn wijsheid en levenservaring aan de ene kant, Aaron met zijn helende krachten en moed aan de andere. Toch werden de ruzies toentertijd veel strenger en serieuzer aangepakt dan tegenwoordig – waar ze praktisch genegeerd werden. Hun vader, namelijk, die destijds nog leefde, zette de twee dan aan weerszijden van dezelfde tafel als ze nu op precies dezelfde plaatsen aan zaten. De verstandige man ging dan aan het hoofd zitten. ‘Dae,’ zou hij zeggen, ‘Je schreeuwt, als je ook zou kunnen fluisteren en Aaron, je leeft maar eens en het leven is een gift, behandel het met respect.’ Zelfs al begrepen de twee soms niet alles wat hij zei, ze snapten wat ze fout hadden gedaan en probeerden de daaropvolgende dagen altijd hun best te doen hun gedrag te verbeteren. Daelerio miste zijn vader. Natuurlijk miste hij hem, hoe kon hij ook anders? Op de ene gedachte volgde de andere en al snel leek Dae helemaal van de wereld. De woorden die zijn broer korte tijd daarna kortaf sprak, haalde hem echter al gauw weer terug. Langzaam knikte Dae even, waarna hij eindelijk weer eens Aaron in de ogen keek. Plotseling werd toen de stilte die anders eeuwen had geduurd, onderbroken. Hard gebons klonk door de ruimte en Daelerio draaide zich snel om naar de deur, een diepe frons op zijn gezicht. Wie haalde het in zijn hoofd om met dit weer en op dit uur zomaar, onaangekondigd aan te kloppen? Dae stond op, ergens wel blij dat hij weer iets te doen had, en liep als de heer des huizes naar de deur, die hij al snel daarna opentrok. Buiten stond een niet al te lange, doorweekte man. Hij leek te hijgen en staarde Daelerio even aan, alsof hij naar herkenningspunten in zijn gezicht zocht. ‘Mijnheer d’Ort?’ Dae knikte, nog steeds verbaasd. Toen realiseerde hij zich ineens dat de man nog in de druipende regen stond. ‘Kom toch binnen,’ zei hij snel en hij stapte opzij, waarna de man met een dankbaar knikje het huis binnen liep. ‘Kan ik iets voor u doen? Een kop thee, misschien?’ vroeg Daelerio, zijn stomme actie van net goed proberend te maken. ‘Nee, dank u, ik kom alleen iets brengen.’
17
20
17Ook Dae wist echt niet meer wat te doen; hij zat daar maar, met zijn vingers in zijn haar verstrengeld. Vanbuiten leek hij geen reactie te tonen op zijn broeders vreemde, ongebruikelijke en zelfs een tikkeltje angstaanjagende gedrag, maar vanbinnen kon hij wel janken. Hij had zo onderhand wel eens genoeg gehad van die gevoelens en werd daarbij er weer aan herinnerd waarom hij ze had buitengesloten. Zonder gevoelens leven was ronduit simpel, veel simpeler dan dit gezeik, waar niet alleen hij last van had, zijn broer was er ook de dupe van. Als hij nou gewoon zijn mond had gehouden en door was gelopen, op zoek naar het mes, zouden ze hier niet zitten – en staan. Dan zou Daelerio over waarschijnlijk iets meer dan uur thuiskomen en meteen naar bed gaan, geen aandacht bestedend aan zijn gezin, en Aaron zou… hij zou datgene doen wat hij altijd ’s avond doet. Wat, wist Dae niet precies, hij was altijd ‘te druk’ – zoals hij het zelf altijd graag noemde, eigenlijk had hij gewoon geen zin om zich met zijn broers zaken te bemoeien – voor dat soort onzinnige zaken. Ergens verraste het Daelerio dat hij nog geen barstende koppijn had gekregen, normaal ging ook hij niet bijzonder goed met stress en irritaties om, al kon je wat dit ook was nou niet echt bepaald irritant noemen, het was vooral uitermate vermoeiend. Even schrok de oudere elf op uit zijn gedachten, toen Aaron op de tafel sloeg. Om welke tot nog toe onbekende reden dan ook, bleef Dae naar de plek waar de vuist van zijn broer terecht was gekomen staren, met een verbitterde uitdrukking nadenkend in de hatelijke en pijnlijke stilte, die weer over de twee was neergedaald. Hij kon zich niet voorstellen dat hij met die ene snauw – die niet eens zo bedoeld was – Aaron zo van z’n stuk had gebracht. De jongen was sterk, hij zou zich er normaal gesproken niets van aantrekken, maar natuurlijk kon het nu anders zijn. Dan nog, zo hatelijk klonk het nou ook weer niet, toch? Toen zijn twijfels een hoogtepunt bereikten, merkte hij niet dat Aaron al weg was gelopen; hij was, zoals zo vaak, te veel met zichzelf bezig. Zelfs terwijl hij zo veel over zijn eigen gebreken nadacht, kon hij niet op die ene simpele oplossing komen. Als hij nou gewoon iets meer interesse in zijn broer zou tonen, iets aardiger en begripvoller zou zijn en iets beter zijn best zou doen om een goed voorbeeld voor Aaron te zijn, een rolmodel, de broer waar hij tegenop zou kunnen kijken, in plaats van op neer. Toen Aaron aan de tafel kwam zitten, keek Daelerio weer even op en verplaatste zijn blik van het stuk oude, diep gegroefde stuk hout naar het uitdrukkingloze gezicht van zijn broer. Hij wendde zijn blik niet af, toen hij een slok nam van het water waarvan Dae zich niet kon herinneren dat het was ingeschonken, noch toen hij een diepe zucht slaakte. De manier waarop ze daar zaten, deed de oudere elf aan vroeger denken, nog voordat de mensen waren gekomen. Ook toen konden de jongens al niet al te best met elkaar opschieten, maar toen bleef het bij onschuldige, makkelijk op te lossen meningsverschillen, in plaats van de slopende oorlog die nu woedde, met Dae en zijn wijsheid en levenservaring aan de ene kant, Aaron met zijn helende krachten en moed aan de andere. Toch werden de ruzies toentertijd veel strenger en serieuzer aangepakt dan tegenwoordig – waar ze praktisch genegeerd werden. Hun vader, namelijk, die destijds nog leefde, zette de twee dan aan weerszijden van dezelfde tafel als ze nu op precies dezelfde plaatsen aan zaten. De verstandige man ging dan aan het hoofd zitten. ‘Dae,’ zou hij zeggen, ‘Je schreeuwt, als je ook zou kunnen fluisteren en Aaron, je leeft maar eens en het leven is een gift, behandel het met respect.’ Zelfs al begrepen de twee soms niet alles wat hij zei, ze snapten wat ze fout hadden gedaan en probeerden de daaropvolgende dagen altijd hun best te doen hun gedrag te verbeteren. Daelerio miste zijn vader. Natuurlijk miste hij hem, hoe kon hij ook anders? Op de ene gedachte volgde de andere en al snel leek Dae helemaal van de wereld. De woorden die zijn broer korte tijd daarna kortaf sprak, haalde hem echter al gauw weer terug. Langzaam knikte Dae even, waarna hij eindelijk weer eens Aaron in de ogen keek. Plotseling werd toen de stilte die anders eeuwen had geduurd, onderbroken. Hard gebons klonk door de ruimte en Daelerio draaide zich snel om naar de deur, een diepe frons op zijn gezicht. Wie haalde het in zijn hoofd om met dit weer en op dit uur zomaar, onaangekondigd aan te kloppen? Dae stond op, ergens wel blij dat hij weer iets te doen had, en liep als de heer des huizes naar de deur, die hij al snel daarna opentrok. Buiten stond een niet al te lange, doorweekte man. Hij leek te hijgen en staarde Daelerio even aan, alsof hij naar herkenningspunten in zijn gezicht zocht. ‘Mijnheer d’Ort?’ Dae knikte, nog steeds verbaasd. Toen realiseerde hij zich ineens dat de man nog in de druipende regen stond. ‘Kom toch binnen,’ zei hij snel en hij stapte opzij, waarna de man met een dankbaar knikje het huis binnen liep. ‘Kan ik iets voor u doen? Een kop thee, misschien?’ vroeg Daelerio, zijn stomme actie van net goed proberend te maken. ‘Nee, dank u, ik kom alleen iets brengen.’
20Ook Dae wist echt niet meer wat te doen; hij zat daar maar, met zijn vingers in zijn haar verstrengeld. Vanbuiten leek hij geen reactie te tonen op zijn broeders vreemde, ongebruikelijke en zelfs een tikkeltje angstaanjagende gedrag, maar vanbinnen kon hij wel janken. Hij had zo onderhand wel eens genoeg gehad van die gevoelens en werd daarbij er weer aan herinnerd waarom hij ze had buitengesloten. Zonder gevoelens leven was ronduit simpel, veel simpeler dan dit gezeik, waar niet alleen hij last van had, zijn broer was er ook de dupe van. Als hij nou gewoon zijn mond had gehouden en door was gelopen, op zoek naar het mes, zouden ze hier niet zitten – en staan. Dan zou Daelerio over waarschijnlijk iets meer dan uur thuiskomen en meteen naar bed gaan, geen aandacht bestedend aan zijn gezin, en Aaron zou… hij zou datgene doen wat hij altijd ’s avond doet. Wat, wist Dae niet precies, hij was altijd ‘te druk’ – zoals hij het zelf altijd graag noemde, eigenlijk had hij gewoon geen zin om zich met zijn broers zaken te bemoeien – voor dat soort onzinnige zaken. Ergens verraste het Daelerio dat hij nog geen barstende koppijn had gekregen, normaal ging ook hij niet bijzonder goed met stress en irritaties om, al kon je wat dit ook was nou niet echt bepaald irritant noemen, het was vooral uitermate vermoeiend. Even schrok de oudere elf op uit zijn gedachten, toen Aaron op de tafel sloeg. Om welke tot nog toe onbekende reden dan ook, bleef Dae naar de plek waar de vuist van zijn broer terecht was gekomen staren, met een verbitterde uitdrukking nadenkend in de hatelijke en pijnlijke stilte, die weer over de twee was neergedaald. Hij kon zich niet voorstellen dat hij met die ene snauw – die niet eens zo bedoeld was – Aaron zo van z’n stuk had gebracht. De jongen was sterk, hij zou zich er normaal gesproken niets van aantrekken, maar natuurlijk kon het nu anders zijn. Dan nog, zo hatelijk klonk het nou ook weer niet, toch? Toen zijn twijfels een hoogtepunt bereikten, merkte hij niet dat Aaron al weg was gelopen; hij was, zoals zo vaak, te veel met zichzelf bezig. Zelfs terwijl hij zo veel over zijn eigen gebreken nadacht, kon hij niet op die ene simpele oplossing komen. Als hij nou gewoon iets meer interesse in zijn broer zou tonen, iets aardiger en begripvoller zou zijn en iets beter zijn best zou doen om een goed voorbeeld voor Aaron te zijn, een rolmodel, de broer waar hij tegenop zou kunnen kijken, in plaats van op neer. Toen Aaron aan de tafel kwam zitten, keek Daelerio weer even op en verplaatste zijn blik van het stuk oude, diep gegroefde stuk hout naar het uitdrukkingloze gezicht van zijn broer. Hij wendde zijn blik niet af, toen hij een slok nam van het water waarvan Dae zich niet kon herinneren dat het was ingeschonken, noch toen hij een diepe zucht slaakte. De manier waarop ze daar zaten, deed de oudere elf aan vroeger denken, nog voordat de mensen waren gekomen. Ook toen konden de jongens al niet al te best met elkaar opschieten, maar toen bleef het bij onschuldige, makkelijk op te lossen meningsverschillen, in plaats van de slopende oorlog die nu woedde, met Dae en zijn wijsheid en levenservaring aan de ene kant, Aaron met zijn helende krachten en moed aan de andere. Toch werden de ruzies toentertijd veel strenger en serieuzer aangepakt dan tegenwoordig – waar ze praktisch genegeerd werden. Hun vader, namelijk, die destijds nog leefde, zette de twee dan aan weerszijden van dezelfde tafel als ze nu op precies dezelfde plaatsen aan zaten. De verstandige man ging dan aan het hoofd zitten. ‘Dae,’ zou hij zeggen, ‘Je schreeuwt, als je ook zou kunnen fluisteren en Aaron, je leeft maar eens en het leven is een gift, behandel het met respect.’ Zelfs al begrepen de twee soms niet alles wat hij zei, ze snapten wat ze fout hadden gedaan en probeerden de daaropvolgende dagen altijd hun best te doen hun gedrag te verbeteren. Daelerio miste zijn vader. Natuurlijk miste hij hem, hoe kon hij ook anders? Op de ene gedachte volgde de andere en al snel leek Dae helemaal van de wereld. De woorden die zijn broer korte tijd daarna kortaf sprak, haalde hem echter al gauw weer terug. Langzaam knikte Dae even, waarna hij eindelijk weer eens Aaron in de ogen keek. Plotseling werd toen de stilte die anders eeuwen had geduurd, onderbroken. Hard gebons klonk door de ruimte en Daelerio draaide zich snel om naar de deur, een diepe frons op zijn gezicht. Wie haalde het in zijn hoofd om met dit weer en op dit uur zomaar, onaangekondigd aan te kloppen? Dae stond op, ergens wel blij dat hij weer iets te doen had, en liep als de heer des huizes naar de deur, die hij al snel daarna opentrok. Buiten stond een niet al te lange, doorweekte man. Hij leek te hijgen en staarde Daelerio even aan, alsof hij naar herkenningspunten in zijn gezicht zocht. ‘Mijnheer d’Ort?’ Dae knikte, nog steeds verbaasd. Toen realiseerde hij zich ineens dat de man nog in de druipende regen stond. ‘Kom toch binnen,’ zei hij snel en hij stapte opzij, waarna de man met een dankbaar knikje het huis binnen liep. ‘Kan ik iets voor u doen? Een kop thee, misschien?’ vroeg Daelerio, zijn stomme actie van net goed proberend te maken. ‘Nee, dank u, ik kom alleen iets brengen.’
17
18
18Ook Dae wist echt niet meer wat te doen; hij zat daar maar, met zijn vingers in zijn haar verstrengeld. Vanbuiten leek hij geen reactie te tonen op zijn broeders vreemde, ongebruikelijke en zelfs een tikkeltje angstaanjagende gedrag, maar vanbinnen kon hij wel janken. Hij had zo onderhand wel eens genoeg gehad van die gevoelens en werd daarbij er weer aan herinnerd waarom hij ze had buitengesloten. Zonder gevoelens leven was ronduit simpel, veel simpeler dan dit gezeik, waar niet alleen hij last van had, zijn broer was er ook de dupe van. Als hij nou gewoon zijn mond had gehouden en door was gelopen, op zoek naar het mes, zouden ze hier niet zitten – en staan. Dan zou Daelerio over waarschijnlijk iets meer dan uur thuiskomen en meteen naar bed gaan, geen aandacht bestedend aan zijn gezin, en Aaron zou… hij zou datgene doen wat hij altijd ’s avond doet. Wat, wist Dae niet precies, hij was altijd ‘te druk’ – zoals hij het zelf altijd graag noemde, eigenlijk had hij gewoon geen zin om zich met zijn broers zaken te bemoeien – voor dat soort onzinnige zaken. Ergens verraste het Daelerio dat hij nog geen barstende koppijn had gekregen, normaal ging ook hij niet bijzonder goed met stress en irritaties om, al kon je wat dit ook was nou niet echt bepaald irritant noemen, het was vooral uitermate vermoeiend. Even schrok de oudere elf op uit zijn gedachten, toen Aaron op de tafel sloeg. Om welke tot nog toe onbekende reden dan ook, bleef Dae naar de plek waar de vuist van zijn broer terecht was gekomen staren, met een verbitterde uitdrukking nadenkend in de hatelijke en pijnlijke stilte, die weer over de twee was neergedaald. Hij kon zich niet voorstellen dat hij met die ene snauw – die niet eens zo bedoeld was – Aaron zo van z’n stuk had gebracht. De jongen was sterk, hij zou zich er normaal gesproken niets van aantrekken, maar natuurlijk kon het nu anders zijn. Dan nog, zo hatelijk klonk het nou ook weer niet, toch? Toen zijn twijfels een hoogtepunt bereikten, merkte hij niet dat Aaron al weg was gelopen; hij was, zoals zo vaak, te veel met zichzelf bezig. Zelfs terwijl hij zo veel over zijn eigen gebreken nadacht, kon hij niet op die ene simpele oplossing komen. Als hij nou gewoon iets meer interesse in zijn broer zou tonen, iets aardiger en begripvoller zou zijn en iets beter zijn best zou doen om een goed voorbeeld voor Aaron te zijn, een rolmodel, de broer waar hij tegenop zou kunnen kijken, in plaats van op neer. Toen Aaron aan de tafel kwam zitten, keek Daelerio weer even op en verplaatste zijn blik van het stuk oude, diep gegroefde stuk hout naar het uitdrukkingloze gezicht van zijn broer. Hij wendde zijn blik niet af, toen hij een slok nam van het water waarvan Dae zich niet kon herinneren dat het was ingeschonken, noch toen hij een diepe zucht slaakte. De manier waarop ze daar zaten, deed de oudere elf aan vroeger denken, nog voordat de mensen waren gekomen. Ook toen konden de jongens al niet al te best met elkaar opschieten, maar toen bleef het bij onschuldige, makkelijk op te lossen meningsverschillen, in plaats van de slopende oorlog die nu woedde, met Dae en zijn wijsheid en levenservaring aan de ene kant, Aaron met zijn helende krachten en moed aan de andere. Toch werden de ruzies toentertijd veel strenger en serieuzer aangepakt dan tegenwoordig – waar ze praktisch genegeerd werden. Hun vader, namelijk, die destijds nog leefde, zette de twee dan aan weerszijden van dezelfde tafel als ze nu op precies dezelfde plaatsen aan zaten. De verstandige man ging dan aan het hoofd zitten. ‘Dae,’ zou hij zeggen, ‘Je schreeuwt, als je ook zou kunnen fluisteren en Aaron, je leeft maar eens en het leven is een gift, behandel het met respect.’ Zelfs al begrepen de twee soms niet alles wat hij zei, ze snapten wat ze fout hadden gedaan en probeerden de daaropvolgende dagen altijd hun best te doen hun gedrag te verbeteren. Daelerio miste zijn vader. Natuurlijk miste hij hem, hoe kon hij ook anders? Op de ene gedachte volgde de andere en al snel leek Dae helemaal van de wereld. De woorden die zijn broer korte tijd daarna kortaf sprak, haalde hem echter al gauw weer terug. Langzaam knikte Dae even, waarna hij eindelijk weer eens Aaron in de ogen keek. Plotseling werd toen de stilte die anders eeuwen had geduurd, onderbroken. Hard gebons klonk door de ruimte en Daelerio draaide zich snel om naar de deur, een diepe frons op zijn gezicht. Wie haalde het in zijn hoofd om met dit weer en op dit uur zomaar, onaangekondigd aan te kloppen? Dae stond op, ergens wel blij dat hij weer iets te doen had, en liep als de heer des huizes naar de deur, die hij al snel daarna opentrok. Buiten stond een niet al te lange, doorweekte man. Hij leek te hijgen en staarde Daelerio even aan, alsof hij naar herkenningspunten in zijn gezicht zocht. ‘Mijnheer d’Ort?’ Dae knikte, nog steeds verbaasd. Toen realiseerde hij zich ineens dat de man nog in de druipende regen stond. ‘Kom toch binnen,’ zei hij snel en hij stapte opzij, waarna de man met een dankbaar knikje het huis binnen liep. ‘Kan ik iets voor u doen? Een kop thee, misschien?’ vroeg Daelerio, zijn stomme actie van net goed proberend te maken. ‘Nee, dank u, ik kom alleen iets brengen.’
20
17
Om nieuwe berichten te laden: ingeschakeld
