Laura schreef:
Niemand hoort mij hier. Niemand ziet mij. Tenminste niet de echte ik. Degene die het hele dorp kent. Beroemd om haar blonde lokken en haar prachtige lengte. Berucht om de wreedheid die ze heeft gekregen na haar 13e levensjaar. Geliefd door alle dorpelingen, gevreesd door de dieren in het bos. Schuw geworden door haar 10e levensjaar en sterker geworden door weeral haar 13e. Wraakzucht verkregen toen ze de leeftijd van 18 kreeg. Het getal wat haar siert. De leeftijd waar ik me nu in bevind.
Ze kunnen nu enkel een gestalte zien zitten op het bankje. Gehuld in haar donkere mantel, geen blonde lok te bekennen.
Gemma.
Ik bukte me om mijn vingers door de modder te halen. Twee vingers tegen elkaar aan drukten zich op mijn wang en lieten een streep achter, waarna ik het herhaalde op mijn andere wang. Ik stond op en mijn mantel gleed tot aan mijn hielen naar beneden. Onder mijn sandalen had ik schapenwol gebonden, zodat niemand mij kon horen als ik liep. Ook niet in het bos. Mijn voeten bewogen zich als vanzelf, richting het al zo bekende bos. Langs mijn ouderlijk huis, langs de weilanden waar ons vee overdag graasde. Langs de akkers waar knollen werden verbouwd. Daarachter lagen de akkers met troep waar vroeger nog specerijen werden verbouwd. Het liep voor geen meter, niemand wilde die dure dingen hebben. Daarom hebben mijn ouders ze weer afgestaan aan de heer. Om zo meer geld over te houden en beter voor mij te kunnen zorgen.
Na mij hebben mijn ouders geen kinderen meer gekregen. Eerst wilden ze het niet, om zo alle aandacht naar mij te laten gaan. Het was niet gewoon voor een gezin om maar één kind te hebben. Natuurlijk hadden mijn ouders wel plannen voor meer kinderen, maar er was iets vreselijks met mijn moeder gebeurd. Op mijn 10e levensjaar ging mijn moeder weg. Ik weet niet wat ze ging doen, maar ze ging weg. Om nooit meer terug te komen. Niemand wilde mij vertellen wat er gaande was. Niemand had het lef om het 10-jarige meisje de waarheid te vertellen. En nu heeft nog steeds niemand het lef om een 18-jarige jonge vrouw te verlichten door te vertellen wat er met haar moeder is gebeurd. Waarom ze nooit meer terugkwam en waarom ze haar dochter in de steek had gelaten.
Ik voelde mijn vingers niet meer. Ik blikte naar mijn hand en zag dat mijn knokkels wit waren geworden. Mijn vingers krampachtig om het handvat van mijn dierbare mes geslagen. Ik voelde de koker in mijn arm prikken, veilig verborgen in de mouw van mijn mantel. Mijn boog lag precies tussen mijn schouderbladen op mijn rug, ook veilig. Ik was veilig. Gemma was veilig.
Mijn vingers maakten zich los van het mes, terwijl mijn andere hand mijn boog tevoorschijn haalde. De pijl was al snel op de boog gelegd. Nog geen 10 seconden later zoefde de pijl door de lucht om vervolgens een vleermuis op de grond te laten vallen.
Ik snoof minachtend.
‘’Vertel het me. Ik ben meerderjarig en heb het recht om te weten wat er is gebeurd. VERTEL HET!’’ schreeuwde ik in het gezicht van de weerloze vrouw. Ik mocht dan Gemma niet zijn, maar Catarina had genoeg kracht om overtuigend over te komen. De vrouw keek bang in mijn ogen. Haar olijfgroene ogen kregen een waterig tintje. Mijn handen lieten haar kraag los zodat ze weer op haar voeten kon staan. Ik slaakte een zucht en keek naar mijn voeten. Ze waren gehuld in sandalen. Standaard schoeisel in mijn dorp. Niemand ging zonder de deur uit. Behalve Gemma als ze op een van haar nachtelijke tochten ging, maar de enige veranderen dan was dat ze schapenwol onder haar schoenen had.
‘’Het spijt me,’’ fluisterde ik naar de vrouw. Ik herkende haar wel. Ze was de vrouw van de bakker. De enige man in mijn dorp die van deeg een fatsoenlijk brood kon maken.
De vrouw schonk me een waterig glimlachje.
‘’Ik begrijp het wel, meid. Het blijft moeilijk om ieder jaar onder ogen te zien dat je moeder niet meer terugkomt,’’ zei ze. Na een seconde besefte ze pas dat ze wat verkeerd had gezegd. Mijn ogen schoten naar die van haar, en aan haar blik te zien spraken die van mij boekdelen. Nog geen halve minuut later was ze verdwenen, richting de bakkerij.
Ik keek bedroefd naar de grond en begon te lopen. Gewoon lopen. Zonder een bestemming in gedachten te hebben.
‘’Laat me los!’’ gilde ik. Een hand sloot zich om mijn bovenarm en ik voelde dat ik werd meegesleurd. Ik wilde gillen, schreeuwen en schoppen. Dat laatste lukte nog aardig en ik raakte een aantal keer iets. Een andere hand sloot zich om mijn mond, zodat er niet meer uitkwam dan enkel wat bedrukt gekerm. Ik werd niet al te ruw over een grond gesleept. Onverwachts werd ik losgelaten en ik keek verward om me heen. De bakkerij. Ik rook het versgebakken brood en ik zag de broden opgestapeld op de planken aan de wanden. Ik zag diverse kleine cakejes en een taart. Uitzonderlijk duur natuurlijk.
‘’Luister. Ik doe je niets, als jij mij ook niets doen,’’ hoorde ik een ruwe stem fluisteren. De bakker. Dat lag best voor de hand, natuurlijk is het de bakker als ik een bakkerij in word gesleept.
‘’Ik zou het nut er niet van inzien als ik vervelend ga doen als iemand mij half ontvoerd,’’ siste ik. Ik krabbelde overeind en klopte het stof van mijn kleding af. Het was niet bepaald leuk om meegesleurd te worden.
‘’Ik zou je best bereid zijn om je wat meer informatie te geven over je moeder. Maar als jij dit een ontvoering noemt, mag je ook best gaan,’’ zei de bakker met een schijnheilig glimlachje. Ik kneep mijn ogen dicht en liet mezelf neerzakken op een kruk bij het raam.
‘’Vertel,’’ zei ik, terwijl mijn hand naar hem toe wees.
Geweldig. Meneer de bakker vertelt dat hij informatie heeft, maar dat ik die moet gaan halen bij de koning. Daar zou ik alles vinden waarna ik zocht. Ha-ha, leuke questee. Moeilijk, maar niet onmogelijk. Lastig voor Catarine, leuk en uitdagend voor Gemma.
Ja, Gemma zal dit doen. En het ging lukken.
Alweer een nachtelijke tocht. Weeral lag de boog vertrouwd op mijn rug en de pijlenkoker in mijn mouw. Die koker was een aandenken van mijn moeder. Als klein meisje had ik graag willen leren schieten met pijl en boog. Mijn moeder was uitzonderlijk goed in houtbewerking. Vader had een boom in het aangrenzende bos gekapt, zodat mijn moeder een koker voor mij kon maken. Ik had hem gekregen op mijn 5e verjaardag. De dag erna had ik van mijn opgespaarde munten verf gekocht. Samen met mijn moeder werd de koker beschilderd en versierd.
Tot op de dag van vandaag had ik hem altijd bij me. Gemma tenminste.
Het kasteel lag op een steenworp afstand van mijn dorp. Wekelijks kwamen er koetsen door de zandpaden van het dorp gereden. De koning bleek veel verplichtingen te hebben, die hij natuurlijk door zijn ‘personeel’ liet uitvoeren. Hij had wel wat ‘beters’ te doen in zijn mooie kasteel.
Vanaf de buitenkant leek het kasteel niet tot nauwelijks bewaakt, maar ik wist wel beter. Alhoewel het donker was, kon ik gemakkelijk de bewakers zien zitten, hoog boven de grond op de kasteelmuren. Daarom moest ik de nacht maar in de bosjes doorbrengen.
Natuurlijk hadden ze me binnengelaten. Ik had de kap afgedaan en vertelde de bewakers op mijn allerliefst dat ik een geschenk had voor de koning. Niet veel later lieten de bewakers me binnen in de troonzaal. Ik keek mijn ogen uit naar de wandversieringen. Overal waar ik keek zag ik versieringen. Op alle muren hingen wel schilderijen of stond er een beschilderde pilaar. Na een paar momenten kwam de koning binnengewandeld en nam plaats op de troon van hem. Maar ik keek niet naar hem. Niet eens in zijn richting. Rechts naast me zag ik het. Ik zág het gewoon. Niemand kon dit anders doen. Geen mens dat ik kende had die fijne penseelstreken op het doek kunnen aanbrengen. Geen enkel persoon kon die levendige kleuren zo met elkaar mengen dat ze niet tegen elkaar afstaken.
Mijn ogen schoten naar de koning, die me enkel bestuderend aankeek.
‘’Ik verwachte je al, mijn allerliefste Catarine,’’
Catarine? Ik was Gemma. Ik voelde aan mijn haar en besefte dat ik mijn kap niet weer opgedaan had.
‘’Waar is mijn moeder?’’
‘’Dat kan ik je niet vertellen, allerliefste.’’
‘’Waar is mijn moeder?’’
‘’Liefste, dat weet ik niet.’’
‘’Nog één keer, waar is mijn moeder?’’ siste ik. De kwaadheid kon je horen. Je kon de gekwetstheid voelen in de ondertoon. De tranen stonden in mijn ogen en mijn arm liet ik in mijn mouw glijden, vastgeklemd om mijn pijlenkoker.
‘’Jouw moeder. Het is een prachtvrouw, maar meisje. Het gaat jou niet veel aan wat ik met haar heb gedaan,’’ lachte de koning. Hij zei het expres, maar ik wist dat het de waarheid was.
Een fractie van een seconde ging voorbij, voordat de pijl zich recht door het hart van de koning had geboord.
‘’That’s for the King.’’